dinsdag, 16 augustus 2011 12:15

zaak Wijnberg

Laatste update 30-6-2016

Wijnberg voert al sinds 2006 strijd tegen het gebruik van biometrie- in het bijzonder van vingerafdrukken en digitale gezichtsscan- in paspoorten en ID-kaarten. Na 10 jaar juridische strijd is er op 25 mei 2016 een eind gekomen aan de uitputtend te bewandelen nationale rechtsgang, die het EHRM als voorwaarde stelde om een klacht tegen het schenden van de fundamentele mensenrechten door de Nederlandse Paspoortwet in behandeling te kunnen nemen.

miek-wijnberg-AD

Eiser heeft zowel op principiële gronden als vanwege de veiligheidsrisico’s bezwaar  tegen het gebruik van biometrie voor paspoorten en ID-kaarten en de opslag van deze gegevens in combinatie met het BSN op een op afstand uitleesbare chip in het document. Gezien de slepende juridische procedure is volgens haar inmiddels ook de schending in het geding van art. 6 EVRM (recht op toegang tot de rechter) en art. 13 EVRM (recht op een effectief rechtsmiddel)

Contact: Voor meer info of een persoonlijk gesprek kunt u contact opnemen via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Voor achtergrond informatie, chronologisch verslag vanaf 2006 en mogelijkheid tot ondersteuning

Persoonlijke toelichting

Steun: Wijnberg krijgt geen rechtstoevoeging en dient de kosten voor de procedures zelf te betalen. De gemaakte proceskosten voor de bezwaarprocedure en leges voor de rechtbank krijgt zij op grond van haar toegekende gelijk in hoger beroep, maar deels vergoed. Omdat Wijneg niet voor rechtstoevoeging in aanmerking komt, treedt zij in haar zaak formeel zonder bijstand van een advocaat op.

Wilt u een financiële ondersteuning doneren dan kan dat door overmaking op Triodosrekening  no 786.722.479 ten name van Burgerrechtenvereniging Vrijbit o.v.v. 'zaak Wijnberg ( Wegens ANBI status zijn giften zijn aftrekbaar van de Belasting)

De strijd tegen de Paspoortwet

Formeel beperkt de juridische procedure, die ik anno 2012 voer, zich tot het beroep wat ik op de bestuursrechter deed om het besluit van de burgemeester te vernietigen om mij geen ID-bewijs te verstrekken zolang ik daarvoor geen vingerafdrukken afgaf.

Deze beroepsprocedure maakt deel uit van een al jaren durende strijd die ik, samen met anderen, voer tegen het gebruik van biometrische gechipte paspoorten en ID-kaarten.

In vogelvlucht zal ik hieronder een beschrijving geven over mijn betrokkenheid bij de stapsgewijze invoering van een, door de overheid geregisseerd, systeem van automatische persoonsregistratie.

* De zaak ging voor mij aan het rollen eind 2004, toen ik ontdekte dat per 1 januari 2005 de Uitgebreide Wet op de Identificatieplicht (WU-ID) van kracht zou worden.

Ik werd medeoprichter en bestuurslid van Stichting Meldpunt Misbruik ID-plicht en ontdekte alras dat er hele andere belangen achter de invoering van deze wet staken dan men op straat een ID-bewijs moest kunnen tonen.

Het invoeren van de ID-plicht had namelijk ten doel om de overheid in staat te stellen van start te kunnen gaan met de bouw  van een bewakings-infrastructuur waarbij 'real-time' voortdurend geregistreerd kan worden waar een ieder zich bevind, hoe en volgens welke patronen de persoon zich gedraagt en welke analyses er aan deze persoonsgegevens te ontlenen zijn.

stap 1: Kon men zich voordien, als dat nodig was ook aan de hand van andere bescheiden en/of een verlopen paspoort voldoen aan een verzoek tot identificatie/legitimatie; met de invoering van de ID-plichtwet werd iedere burger vanaf 14 jaar verplicht om over een GELDIG ID-bewijs te beschikken *. Zo vormde de ID-plicht die op 1 januari 2005 van kracht werd, de eerste noodzakelijke stap om de gigantisch uitdijende databestanden met gegevens over de bevolking, aan een bepaalde persoon te kunnen koppelen.

* Iedereen vanaf 14 jaar werd dus niet alleen verplicht om een van staatswege goedgekeurd identificatiebewijs aan te vragen, maar ook om dat met een frequentie van iedere 5 jaar opnieuw te doen.

Het belang van die harde eis inzake de geldigheidsduur, openbaarde zich door de meest bizarre sancties waarmee opsporingsambtenaren mensen met een verlopen ID-bewijs bekeuringen uitdeelden en arrestaties verrichten. Van boetes en arrestaties in gevallen dat aan de hand van een verlopen document uitstekend de identiteit kon worden vastgesteld van getuigen bij een ongeluk, tot uitsluiting bij de verkiezingen van personen wegens een 1 dag verlopen ID-bewijs.

De geldigheidsduur diende strikt gehandhaafd te worden, niet omwille van de identificatie, maar om ervoor te zorgen dat iedere gefaseerde update die de paspoorten en ID-kaarten de komende jaren zou ondergaan, zo snel mogelijk op zoveel mogelijk mensen van toepassing te laten zijn. Dit vormde stap 2.

* Stap 3: Op 26 augustus 2006 werden in Nederland biometrische paspoorten en ID-kaarten ingevoerd. Allereerst ging dat om de nieuwe manier waarop de pasfoto’s werden omgezet naar een digitale gezichtspunten scan. En ten tweede om de invoering van de RF-ID chip op de documenten.

Die combinatie betekende dat de documenten die inmiddels in grote getale door de bevolking dagelijks werden gebruikt, nu verder geschikt werden gemaakt voor het gebruik van automatische identificatie- en controle systemen. Met name als aanzet tot  geautomatiseerde gezichtsherkenning.

Ik heb actief actie helpen voeren tegen deze nieuwe documenten en tegen het feit dat de overheid weigerde de bevolking in te lichten over wat de veranderingen daadwerkelijk inhielden en wat daarvan de consequenties waren.

Toen het niet mogelijk bleek om de ontwikkelingen tegen te houden, organiseerde het Meldpunt een actie waarbij mensen, vlak voor de invoering van de biometrisch gechipte paspoorten en ID-kaarten nog een ‘oude versie’ aanvroegen. Met de bedoeling dat er dan in de 5 jaar respijt gewerkt kon worden aan het ontwikkelen van een alternatief.

Uiteraard ging ik zelf ook naar Burgerzaken om, met omstandige uitleg waarom ik met een paspoort wat nog jaren geldig zou blijven, een nieuwe aan kwam vragen. Het verzet tegen de gedigitaliseerde gezichtsscan gaat nog steeds door, al is het niet zo in het oog springend. Dat komt omdat mensen die bezwaar maken tegen zowel de vingerafdrukken als de gezichtsscan -zoals ik - enkel omdat ze geen vingerafdrukken afgeven een document geweigerd wordt. Pas als die vingerafdrukeis van tafel is en van de ‘vingerafdruk weigeraars’ de aanvraag voor een paspoort of ID-kaart in behandeling wordt genomen, komt de controverse weer boven over het wel willen verstrekken van een pasfoto, maar geen toestemming te willen verlenen aan de verwerking daarvan tot een digitale biometrische gezichtsopname. De meest hoopvolle ontwikkeling in deze is dat gehoor zou worden gegeven aan de aanbevelingen aan de minister van professor Bekker om voor mensen die om wat voor reden dan ook’ bezwaar maken tegen het gebruik van biometrie voor paspoorten en ID-kaarten, een uitzonderingspositie te creëren. Maar daar zal nog heel wat druk op gezet moeten worden voor het zover komt naar verwachting.

* Stap 4 ging niet door. Dat kwam omdat het wetsvoorstel om de pasfoto’s te gaan verbieden en het maken van een directe gezichtsscan in te voeren sneuvelde. Om deze stap, naar een verbeterde gezichtsregistratie voor gebruik van automatische gezichtsherkenning, te voorkomen werkte ik via het Meldpunt succesvol samen met de vakfotografen in Nederland.

* Stap 5 vormde de omzetting van de cijferreeks van het Sociaal Fiscale (SoFi) nummer, tot een uniek persoonsnummer, wat toegang geeft tot alle gegevens van een burger waarover de overheid beschikt. Hoe we via het Meldpunt ook actie hadden gevoerd naar de politieke besturen en kamerfracties van de politieke partijen toe, hoe we poogden bewindslieden van dit onzalige plan af te houden, en actie voerden om de Eerste Kamer ervan te overtuigen dat de invoering van één persoonsnummer voor alle sectoren van de samenleving dom en gevaarlijk is, de tijd bleek er niet rijp voor om gehoor te geven aan een kritisch tegengeluid. Op 27 november 2007 was het zover en werd het Burger Service Nummer ingevoerd.

De strijd tegen het gebruik van het BSN is echter nog in volle gang. En uiteraard heeft dit alles te maken met de strijd tegen de Paspoortwet, waardoor biometrische gegevens en het BSN samen worden opgeslagen in de reisdocumentenadministraties en in de op afstand uitleesbare RF-IDchip van de documenten zelf.

* Stap 5 vormde de verplichting dat burgers hun vingerafdrukken moesten AF staan aan de overheid voor het verkrijgen van een geldig ID-bewijs of paspoort.

Zowel nationaal als op internationaal terrein stelde ik alles in het werk om het gebruik van vingerafdruktechnologie voor paspoorten en ID-kaarten te doen afschaffen. Ik deed dat zowel op persoonlijke titel als vanuit mijn functie als voorzitter van Burgerrechtenvereniging Vrijbit die hiervoor in 2008 werd opgericht.

NB al deze inspanning heeft er toe geleid dat a. de vingerafdrukken in de gemeentelijke databases niet meer langdurig worden opgeslagen en b. sinds 20-1-2014  de vingerafdruk registratie voor de ID-kaarten is vervallen. Maar daarmee zijn de bezwaren tegen de biometrische paspoorten en ID-kaarten nog lang niet opgelost.

* Stap 6 Met de afschaffing van kinderbijschrijvingen op paspoorten/ID-kaarten van ouders en voogden per 26 juli 2014 moesten ook veel kinderen jonger dan 14 jaar over een gechipt biometrisch document kunnen beschikken. via de Zorgverzekeringswet bleek dat zelfs geregeld te worden voor kinderen vanaf de geboorte als zij voor ziekehuiszorg in aanmerking wenste te komen.

Zo kan de overheid nu van nagenoeg alle kinderen al vanaf de geboorte een gezichtsscan registreren en samen met het BSN in database en documenten opslaan.

Na jaren vechten tegen de bierkaai, begon er een kentering te ontstaan. De terechte bezwaren tegen de afbraak van fundamentele rechten op bescherming van de privacy, werden voorzichtig aan onderkend door de wetenschap, de pers, en het grote publiek. 

Maar de belangen van de overheid en bedrijfsleven om de automatische identificatiemethoden door te ontwikkelen zijn zo megalomaan, dat ‘de Slag om de Paspoortwet’ nog lang niet gewonnen is.

Chronologisch verslag zaak Wijnberg versus Burgemeester van Utrecht wegens bezwaar tegen het gebruik van biometrie en RFID chip voor de Nederlandse ID-kaart ( 2006-2016)                                                                                                                                          

2006

In juli 2006 maakte mevr. Wijnberg bezwaar tegen de invoering van de biometrische op afstand uitleesbare paspoorten en ID-kaarten die per 26-8-2006 zouden worden ingevoerd. Ook protesteerde zij uitvoerig, bij zowel de lokale- als de Rijksoverheid, tegen het feit dat men weigerde om de burgers hierover vooraf correct te informeren.

Als coauteur verzorgde zij die maand mede de publicatie van de brochure ‘geen chip in mijn paspoort of ID-kaart’ van stichting Meldpunt Misbruik ID-plicht.

Hoewel haar paspoort nog jaren geldig zou blijven, vroeg Wijnberg- met opgaaf van de reden dat zij geen biometrisch-gechipt paspoort wenste- voor de duur van 5 jaar een nieuw paspoort aan. Dit werd, met aantekening van de reden in de gemeentelijke reisdocumentenadministratie, zonder problemen verstrekt.

2009

Toen in juni 2009, ondanks alle waarschuwingen over de bezwaren en gevaren, het Nederlandse parlement toch instemde met het wetsvoorstel ter wijziging van de Paspoortwet -zodat vanaf 21-9-2009 iedere burger zijn vingerafdrukken zou moeten afgegeven aan de Staat voor het krijgen van een paspoort of ID-kaart - probeerde Wijnberg de invoering van de wet alsnog tegen te houden door een klacht in te dienen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in. ‘ Klacht over opslag van biometrische gegevens- van iedere burger van 12 jaar en ouder- door de Nederlandse regering, in één centrale paspoortdatabase, en het ter beschikking stellen van deze gegevens aan justitie en inlichtingen en veiligheidsdiensten’ (dossiernummer 45692/09).

Op 15-9-2009 probeerde zij- hangende de beslissing van het EHRM of de klacht ontvankelijk zou worden bevonden- bij tijdelijke voorziening door het EHRM, het op 21 september 2009 van kracht worden van de Paspoortwet te laten verbieden op grond van schending van de fundamentele mensenrechten inzake de bescherming van het recht op een privéleven en lichamelijke integriteit.
‘Aangepast verzoek om voorlopige voorzieningen wegens onherstelbare schade veroorzaakt door schending van art. 8 EVRM (juncto art. 5, 6, 13 en 14 EVRM)’

Op 18-9-2009 werd het verzoek voor de tijdelijke voorziening door het EHRM afgewezen.

Op 21-10-2010 oordeelde het EVRM dat de klacht als bodemprocedure niet ontvankelijk werd verklaard omdat voor de behandeling door het EHRM eerst de nationale rechtsgang uitputtend doorlopen diende te zijn.

-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-.--.-.-.

30-10-2009 deed Wijnberg, teneinde een bezwaarprocedure te kunnen gaan voeren, aanvraag bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente Utrecht voor het verkrijgen van een ID-bewijs zonder vingerafdrukken. Deze aanvraag werd niet in behandeling genomen.

30-12-2009 Diende zij schriftelijk een bezwaarschrift in bij de burgenmeester tegen het feit dat haar aanvraag niet in behandeling werd genomen. Dit bezwaarschrift werd niet ontvankelijk verklaard om reden dat het bezwaar ‘te prematuur’ werd bevonden door de Juridische afdeling van de gemeente Utrecht. Met vermelding dat een burger sowieso geen bezwaar zou mogen maken tegen de weigering van de ambtenaar op Burgerzaken om de aanvraag niet in behandeling te nemen en de Paspoortwet zo was ingericht dat er absoluut geen mogelijkheid zou zijn om bezwaar te maken tegen het gebruik van biometrie.

2010

Op 2-2- 2009 deed Wijnberg daarom opnieuw een aanvraag voor een ID-bewijs aan de balie van Burgerzaken om alsnog een formeel besluit van de burgemeester te kunnen verlangen waarmee ze wel een bezwaarprocedure zou kunnen starten. Deze omslachtige wijze van bezwaar maken lukte alleen door opnieuw een aanvraag in te dienen en ter plekke door Burgerzaken een formulier te laten tekenen ten bewijze dat zij aan de balie daadwerkelijk tevergeefs een aanvraag had gedaan.

Op 15-2-2010 bevestigde de burgemeester schriftelijk dat hij de aanvraag, wegens het ontbreken van vingerafdrukken, inderdaad niet in behandeling nam. Daarmee probeerde de burgemeester alsnog onder een - voor beroep vatbare beslissing- uit te komen. Door enkel te bevestigen dat de aanvraag niet in behandeling was genomen hield hij namelijk vast aan de constructie, die de wetgever beoogde, dat er absoluut geen bezwaar gemaakt zou kunnen worden onder het motto dat ‘niet in aanvraag nemen iets anders zou zijn dan het niet verstrékken van een Identiteitsbewijs’.

Deze slinkse poging om te beletten dat de burger gebruik zou kunnen maken van het recht om bezwaar te maken tegen onrechtmatig overheidsoptreden, faalde. De burgemeester (Wolfsen /PvdA & voormalig rechter) werd hierin de pas afgesneden omdat zo’n oneigenlijke ontwijking van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) kon worden voorkomen door het indienen van een bezwaar tegen een zogenaamd ‘fictieve weigering’. Dit omdat het niet in behandeling nemen feitelijk wel degelijk een besluit betrof dat inhield dat het afgeven van een identiteitskaart werd geweigerd. ( NB art 46a van de Paspoortwet bepaald dat een identiteitskaart niet kan worden geweigerd of vervallen verklaard!).

Op 7-3-2010 maakte Wijnberg formeel bezwaar tegen de beschikking van 15-2-2010 en verzocht  haar eerdere bezwaar hiervoor als ingelast te beschouwen evenals alles wat zij, als gemachtigde in een gelijkstrekkende zaak (Hamers) tijdens de hoorzitting op 15-12-2009, reeds had inbracht.

18-3-2010 Volgde het definitieve besluit de burgemeester om zijn eerdere beslissing niet te herroepen.
Citaat: ’Uw bezwaar dat u geen vertrouwelijke(lichaams)kenmerken wenst af te staan omdat de wetgeving ten aanzien van het opslaan van die gegevens in een gemeentelijke administratie en later in een centrale administratie strijdig zou zijn met de eerder genoemde artikelen van het EVRM, kan ik niet toetsen. Ik moet de wet uitvoeren zoals die luidt’.

Op 26-3-2010 verzocht Wijnberg de burgemeester haar te informeren over ‘het achterliggende motief waarom hij geen verantwoording neemt voor de toetsing aan de hoogste wetgeving betreffende de bezwaren tegen opslag van biometrische gegevens in een overheidsregister, Waarop zij zich in haar bezwaar beriep, terwijl hij wel toetst aan lagere wetgeving in deze (de Paspoortwet) en wel de volle verantwoordelijkheid draagt voor de opslag van biometrische gegevens in een gemeentelijke database’.

Ook vroeg zij om haar - conform dat aan andere weigeraars werd meegedeeld –  schriftelijk te laten weten 'dat de overheid op het standpunt staat dat er formeel geen mogelijkheid voor de burger openstaat om bezwaar te maken tegen de opslag van biometrische gegevens. En dat in de Paspoortwet niet een mogelijkheid is ingebouwd dat voorziet in de mogelijkheid voor bezwaarden zich op hun fundamentele grondrechten beroepen en dat dit ook praktisch onmogelijk is gemaakt door de constructie dat men formeel alleen maar mensen weigert een geldig identiteitsbewijs te verstrekken omdat bij ontbreken van de biometrische gegevens de aanvraag voor een dergelijk document als onvoldoende gekwalificeerd wordt en daardoor niet in behandeling hoeft te worden genomen'.

Zij verzocht dit expliciet omdat het uitsluiten van een bezwaarmogelijkheid op grond van gewetensbezwaar/levensovertuiging als aanvullende onderbouwing kon dienen voor de processtukken bij het EHRM, waar zij reeds aanhangig maakte dat de Staat der Nederlanden in deze kwestie niet voorziet in een faire mogelijkheid om zich als burger te verweren tegen een onrechtmatige inbreuk op de fundamentele burgerrechten die de persoonlijke vrijheid, de lichamelijke integriteit en het recht op bescherming van iemands veiligheid, aantast. (EVRM art.13). De brief bleef onbeantwoord.
 
2011

Op 27-4-2011 was Wijnberg aanwezig bij het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer waarin de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Donner) de toezegging deed dat er - gezien de bewezen foutmarge van de vingerafdrukregistratie van 20 à 25 %  bij 1 op 1 verificatie ( hijzelf sprak zelfs van 30%) - ‘VOOR NU’ gestopt zou worden met de opslag van vingerafdrukken. Het parlement werd toegezegd dat hij zo snel mogelijk een structurele oplossing zou bewerkstelligen om bij wetswijziging de ID-kaart uit de Paspoortwet te halen en een Nederlandse ID-kaart te introduceren waarvoor de afgifte van vingerafdrukken meer verplicht was.

Een dag later, op 28-4-2011, belde Wijnberg naar Burgerzaken met de vraag of ze daarom ’voor NU’ wel een ID-bewijs zonder vingerafdrukken kon aanvragen. Maar dat, zo verzekerde men was nog niet mogelijk 'omdat daar geen instructies toe waren gegeven'. Naarstig overleg van de gemeente met de Nederlandse Vereniging Voor Burgerzaken (NVVB) bevestigde de letterlijke toezeggingen van de minister. Maar de burgemeester weigerde, zonder uitdrukkelijke opdracht daartoe van hogerhand, een aanvraag voor een ID-kaart zonder vingerafdrukafgifte in behandeling te nemen. Dat de burgemeester die zelf het bevoegd gezag bekleed voor het aanvraag-en uitgifteproces van de paspoorten/ID-kaarten,  geen eigen verantwoordelijkheid in deze durfde nemen, werd zowel telefonisch als per e-mail meegedeeld door een naaste medewerker van de burgemeester. 

28-4-2011 diende Wijnberg derhalve schriftelijk een bezwaar in tegen de weigering om haar, ondanks de gewijzigde omstandigheden, alsnog geen ID-bewijs te verstrekken.

31-5-2011 Omdat er op het bezwaar van 28-4 totaal niet werd gereageerd, nam Wijnberg na enkele weken contact op met de Juridische Afdeling. Daar, zo werd haar meegedeeld, was er geen bezwaar bekend. Dat was nogal bevreemdend aangezien de bij de bezwaarschriftencommissie betrokken ambtenaren er persoonlijk getuige van waren toen Wijnberg haar bezwaar kwam indienen en daar een ontvangstbewijs van kreeg. Er was zelfs naderhand nog per e-mail contact over opgenomen door Mevr. Meijer van de bezwaarschriftencommissie.

Op 15-6- 2011, toen er nog steeds geen reactie kwam of het bezwaarschrift nog tevoorschijn was gekomen, besloot Wijnberg een herhaald bezwaar in te dienen en er opnieuw ter plekke bij het overhandigen daarvan op de afdeling Documentatie van de Gemeente een ontvangstbevestiging van te verlangen.

Op 13-7-2011 was er nog steeds geen reactie en belde Wijnberg naar de Juridische Afdeling van gemeente Utrecht waaróm zij geen reactie op bezwaar kreeg. Opnieuw kreeg ze te horen dat ‘de stukken onvindbaar' waren. Maar toen Wijnberg hen attendeerde op haar ontvangstbewijzen, beloofde men 'het te gaan uitzoeken'. Wijnberg vroeg daarop om haar, in elk geval een bevestiging te sturen van het feit dat zij op 28-4-2011 een aanvraag voor een ID-kaart had proberen te doen. Maar die bevestiging werd haar geweigerd. Bij Burgerzaken weigerde men ook om een bewijs van een afgewezen aanvraag af te geven, zelfs nadat Wijnberg op 18-7-2011 hier een schriftelijk verzoek toe deed. (NB Dat men alleen door lijfelijk te verschijnen een aanvraag zou kunnen worden ingediend en geweigerd zou later door de bestuursrechtbank Maastricht in de zaak Willems als onjuist worden bestempeld)

Op 21-7-2011, de dag dat haar paspoort verliep en zij over geen enkel identiteitsbewijs meer kon beschikken, kwam telefonisch de definitieve mededeling van hoofd afdeling reisdocumenten dhr. Storm dat de juristen van de gemeente het niet eens waren met het feit dat er op 28-4-2011 een aanvraag was gedaan 'omdat daarvan geen schriftelijk bewijs was'. Op grond daarvan was besloten dat Wijnberg, teneinde formeel bezwaar te kunnen maken tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag, na al die maanden, gedwongen was om opnieuw een bezoek te brengen aan de afdeling Burgerzaken voor een hernieuwde aanvraag waarvan bij voorbaat vaststond dat die niet in behandeling zou worden genomen. Alleen dan zou men haar een schriftelijke verklaring willen verstrekken dat de aanvraag niet in behandeling was genomen. Een verklaring die als voorwaarde werd gesteld om van de burgemeester een schriftelijk besluit te kunnen eisen, waartegen een formeel juridisch bezwaar kon worden ingediend.

Op 29-7-2011 bleef Wijnberg weinig anders over dan de hele procedure opnieuw aan te vangen omdat het bezwaarschrift, wat inmiddels kennelijk was teruggevonden, niet ontvankelijk werd verklaard (kenmerk b11.2301 brief no j11.615176)

Op 12-8-2011 deed Wijnberg derhalve opnieuw een aanvraag voor een ID-bewijs zonder vingerafdrukken. Primair voor een gewoon 5 jaar geldig document en secundair voor een tijdelijk ID-bewijs. NB De vraag om desnoods een tijdelijke ID-kaart te verstrekken, werd gebaseerd op het motief dat uit de EU Verordening, waarop de vingerafdrukverplichting werd gegrond, onomstotelijk bleek dat deze sowieso geen betrekking heeft op documenten met kortere geldigheidstermijn dan 12 maanden.

Toch ontstonden er opnieuw problemen over alleen maar het afgeven van een schriftelijke verklaring dat Wijnberg tevergeefs een aanvraag had gedaan voor het krijgen van een geldig identiteitsbewijs. Dit keer om reden dat het formulier van Burgerzaken, wat Wijnberg hiervoor diende te ondertekenen,  onjuiste informatie bevatte inzake de bepalingen van de Paspoort Uitvoeringsregeling PUN. Op het formulier werd namelijk enkel vermeld dat de PUN uitsluitend een uitzondering kent voor fysieke belemmeringen terwijl de correcte clausule luidt dat uitzonderingen om een tijdelijk document af te geven gemaakt kunnen worden wegens  ‘fysieke OF tijdelijke belemmering’. Vanwege haar weigering om het ondeugdelijke formulier te tekenen schreef zij ter plekke zelf een schriftelijke verklaring waarvan zij eiste dat deze zou worden afgestempeld als bewijs dat haar aanvraag had plaatsgevonden en men deze geweigerd had in behandeling te nemen. Met als gevolg dat deze principiële weigering om een onjuist formulier te ondertekenen in de vervolgfase werd afgestraft doordat de burgemeester op 18-8-2011 twee verschillend gemotiveerde besluiten nam om Wijnberg geen ID-bewijs te verstrekken. Een totaal onnodige handelswijze die haar, vanwege het risico om niet ontvankelijk te worden verklaard als zij niet op beide besluiten bezwaar zou maken, verplichtte tot het voeren van twee juridische procedures.

Daarnaast werd Wijnberg eveneens onnodig gedupeerd, omdat voor het aanvragen van een niet in behandeling te nemen aanvraag voor een ID-kaart, haar paspoort door het ponsen van grote gaten onbruikbaar werd gemaakt, zodat zij zich ook niet langer met dit document, al was het verlopen, haar identiteit kon blijven aantonen.

Op 16-8-2011 verzocht Wijnberg rechtstreeks aan minister Donner om van zijn bevoegdheden gebruik te maken haar een ID-kaart zonder afgifte van vingerafdrukken te verstrekken. Al was het maar voor de duur van de juridische procedure. Maar de minister liet weten dat hij die bevoegdheid niet zou hebben, al staat die wel in de Paspoortwet vermeld, en wees het verzoek ‘daarom’ op 3-10-2011 af.

Op 17-8-2011 diende de advocaat, die Wijnberg inmiddels ( op eigen kosten) in de arm had genomen, een gemotiveerd verzoek in tot snelle besluitvorming.

Op 18-8 -2011,  lagen er prompt 2 schriftelijk besluiten van de burgemeester.
Besluit-1 (kenmerk 11.069715) tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag wegens het ontbreken van vingerafdrukken. En Besluit-2 (kenmerk 11.037203) zelfde beslissing, maar nu op grond van het feit dat Wijnberg het formulier van Burgerzaken had weigeren te ondertekenen. Dit verplichtte Wijnberg tot het indienen van twee verschillende bezwaarschriften, en uiteindelijk tot beroep aantekenen bij de bestuursrechter tegen beide besluiten.   

Op  28-9-2011  kon daarop eindelijk formeel een bezwaarschrift worden ingediend tegen de weigering tot het afgeven van een ‘vingerafdruk-vrij’ identiteitsbewijs (Besluit-2 kenmerk 11.037203) Een identiteitsbewijs waar iedere Nederlandse burger volgens de Wet op de Uitgebreide ID-plicht, over moet kunnen beschikken om te kunnen voldoen aan de Wet op de Uitgebreide ID-plicht (WU-ID), wat noodzakelijk is om voor behandeling in het ziekenhuis in aanmerking te komen, om gebruik te kunnen maken van het recht op vrij reizen binnen het Schengengebied, om zelf een stem te kunnen uitbrengen tijdens verkiezingen, enz.

Ter voorkoming van mogelijke verwarring over de twee verschillende procedures, tegen hetzelfde feit dat zij geen identiteitsbewijs kon aanvragen, diende Wijnberg haar andere bezwaar een dag later in. 29-9-2011  Bezwaar tegen Besluit-1 kenmerk 11.069715)

Hoewel de weigering om haar een identiteitsbewijs te verstrekken werd gebaseerd op het enkele feit dat zij weigerde om haar vingerafdrukken af te staan, maakte Wijnberg van meet af aan bezwaar tegen de eisen van de Paspoortwet tot het opslaan van zowel vingerafdrukken als een digitale gezichtsopname in databases van de overheid en verwerking en op afstand uitleesbare RF-ID chip in het document.

Op 8-11-2011 riep Wijnberg per brief de hulp in van EU commissaris voor Justitie en Burgerrechten madam Reding. Zij schreef haar dat Nederland zowel de eigen burgers als de bescherming van het Schengengebied in gevaar bracht met het grootschalig opslaan van mismatchende vingerafdrukken, met de wijze waarop de nationale reisdocumentengegevens ter beschikking staan voor veiligheids- en inlichtingendiensten en justitieel gebruik. En dat daarmee afbreuk werd gedaan aan de letter en intentie van de EU Verordening waarop de Paspoortwet-2009 is gebaseerd. De brief bood geen snelle soelaas, maar zou wel worden ‘meegenomen’ in het onderzoek wat de EU Commissie instelde over het functioneren van Verordening in het algemeen (juni 2012) en naar de Nederlandse Paspoortwet in het bijzonder, zo liet men weten.

Op 29-11-2011 vond de hoorzitting plaats van de gemeentelijke bezwaarschriften commissie.
Hierbij diende betrokkene nog een persoonlijke toelichting in, en liet zij mondeling weten inmiddels flink in de problemen te zitten. Met name vanwege het feit dat haar niet alleen reguliere medische hulp werd onthouden, maar dat dit ook gold voor preventieve zorgverlening, zoals zij ondervond toen zij zich meldde na een oproep voor preventief borstkankeronderzoek. En omdat ze geen contant geld meer kon opnemen van haar eigen bankrekening omdat de bank weigerde haar versleten bankpas te vervangen zolang ze geen geldig identiteitsbewijs kon overleggen. Naar aanleiding van de hoorzitting op 29-11-2011 verscheen die dag in het Algemeen Dagblad het artikel ‘de strijd om de vingerafdruk’.

Op 30-11-2011 volgde de publicatie van de open brief aan de gemeenteraadsleden van Utrecht 'Geen vingerafdruk → geen ID-bewijs → geen borstkankeronderzoek' over de afweging die de overheid maakt om ongeacht de gevolgen volstrekt nutteloze vingerafdrukken van de burger te blijven opeisen.

Op 20-12-2011 besloot de burgemeester definitief om, ondanks alle ingebrachte bezwaren, niet terug te komen op zijn beslissing geen medewerking te verlenen aan het verstrekken van een 5-jaar geldige ID-kaart, en ook niet aan de mogelijkheid die de PUN biedt om op grond van een tijdelijke belemmering een 12 maanden geldend document af te geven. Het bezwaar tegen besluit-2 werd niet ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen besluit-1 achtte hij ongegrond.

Op 17-1-2012 diende Wijnberg een verzoek in op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur om het verslag te krijgen van de hoorzitting waarop de burgemeester zijn besluit mede had gebaseerd. Om reden dat dit, bij het verstrijken van de beroepstermijn nog niet ter beschikking was gesteld, hetgeen ook inbreuk maakt op EVRM art.13.  was met name van belang vanwege het feit dat tijdens de hoorzitting de gemeente had toegegeven dat er ten onrechte 2 verschillend gemotiveerde besluiten waren verstuurd en de advocaat namens eiser uitdrukkelijk had verzocht dit te rectificeren ter voorkoming van het moeten opstarten van een dubbele beroepszaak.

Op 2-2-2012 stelde Wijnberg beroep in bij de bestuursrechtbank te Utrecht (zowel tegen besluit-1 als tegen besluit-2). Om financiële redenen deed zij dit zonder ondersteuning van een advocaat en zou zij het hele vervolg van de juridische procedure haar eigen zaak dienen te verdedigen.

Op 6-3-2012 diende de landadvocate namens de burgemeester een verzoek in tot uitstel met 4 weken voor het indienen van een verweerschrift. Daarmee werd de tweede vertragingsronde in de Nederlandse rechtsgang ingezet.

Op 7-3-2012 publiceerde Burgerrechtenvereniging Vrijbit op haar website www.vrijbit.nl in het dossier zaak Wijnberg, als aanvulling op het hiaat van het inmiddels vrijgegeven verslag van de hoorzitting, een toelichting over wat er ter zitting was aangevoerd ten aanzien van de fysieke belemmering bij gewetensbezwaarden.

Op 27-3-2012 ontving Wijnberg de oproep voor zitting enkelvoudige bestuursrechtbank te Utrecht op 30 mei 15:15 uur.

Op 29-3-2012 debatteerde het EU Parlement over de uitvoeringspraktijk van de EU Verordening die de lidstaten verplicht tot het gebruik van biometrie voor de uitgifte van reisdocumenten. In antwoord op de overweldigende hoeveelheid kritiek vanuit het EU parlement, antwoordde EU Commissaris Malmström  met betrekking tot vragen over de betrouwbaarheid van de verplicht gestelde vingerafdrukregistratie o.a. dat zij geen enkel signaal had ontvangen over de onbetrouwbaarheid van de vingerafdrukregistratie (ondanks de brief aan de medeverantwoordelijke EU commissaris dus).

Op 3-4-2012 diende de landsadvocaat  opnieuw een verzoek in tot uitstel van het indienen van een verweerschrift .

Op 4-4-2012 verleende de griffier de landsadvocaat nog een week uitstel.

Op 11-4-2012 diende de landsadvocaten Palmboom- Bitter van advocatenbureau Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten, het verweerschrift in namens de burgemeester.

Op 30-5-2012 vond de zitting plaats van de enkelvoudige Kamer van de Bestuursrechtbank te Utrecht onder leiding van een rechter in opleiding en onder verantwoordelijkheid van mr. V.M.M.van Amstel.

Op 4-7-2012 liet de rechtbank weten dat de uitspraak termijn was verlengd. Daarbij werd aangegeven dat de rechtbank overwoog om vooralsnog helemaal af te zien van het doen van een uitspraak, hangende het oordeel dat de Raad van State zou vellen in ‘vergelijkbare zaken’ die tegen de Paspoortwetgeving-2009 in de hoger beroepsfase waren aangeland.

Op 23-8-2012 liet de rechtbank opnieuw weten dat de uitspraaktermijn was verlengd.

Op 30-8-2012 diende Wijnberg hierover een klacht in en verzocht de rechtbank uitdrukkelijk om zelf oordelend alsnog de besluiten van de burgemeester te vernietigen of secundair tenminste een deeluitspraak te doen met betrekking tot het verstrekken van een tijdelijk 1-jarig document  en in de volkomen nutteloze tweede juridische procedure tegen besluit 2.  NB Aanhouding van een besluit in eerste aanleg zou ten eerste stoelen op de onjuiste voorstelling van zaken dat de bezwaarprocedures tegen het gebruik van biometrie en RFID chipsvoor paspoorten en ID-kaarten om identieke zaken zou gaan. Hetgeen niet het geval is omdat naast de gemeenschappelijke bezwaren alle eisers een individueel accent leggen op de reden waarom voor hen persoonlijk de wet onacceptabel is. Bovendien zou het tot gevolg hebben dat er obstructie werd gepleegd in de toepassing van het ‘fair trial’ principe waarmee Wijnberg het doorlopen van een uitputtend te bewandelen juridische nationale rechtsgang werd belemmerd- en daarmee de toegang tot het EHRM (als de hoogste rechterlijke macht aangaande de bescherming van de fundamentele mensenrechten).

Op 24-9-2012 antwoordde de president van de rechtbank van Utrecht haar dat de klachtenregeling van de rechtbank niet van toepassing is op procedurele zaken. Maar dat hij het desalniettemin ter kennis had gebracht aan de rechter. Deze had op haar beurt had laten weten van de Raad van State vernomen te hebben dat de uitspraak daar nog enige tijd op zich zou laten wachten waardoor er besloten was om die uitspraak niet af te wachten maar alsnog uitspraak te gaan doen.

Op 3-10- 2012 deed de rechtbank uitspraak (zaak UTR 12/415BESLU V37). Maar aangezien die uitspraak per aangetekende post werd aangeboden die Wijnberg enkel in ontvangst kon nemen op vertoon van een geldig identiteitsbewijs – waar ze niet over kon beschikken (en waar de hele zaak juist om draait)- kon zij geen kennis nemen van de inhoud van deze rechterlijke beslissing.

Op 12-10- 2012 diende Wijnberg formeel een klacht in bij de president van het bestuur van de rechtbank, over het feit dat zij de aangetekende post van de rechtbank niet in ontvangst had kunnen nemen.

Op 16-10-2012 ontving zij excuses van de rechtbank met de verklaring dat men zich niet gerealiseerd had dat zij geen aangetekende post kon ontvangen.

Op 1-11-2012 stuurde de rechtbank alsnog een voor betrokkene toegankelijke versie van de uitspraak. Maar gaf daarbij gelijk aan dat de datum van de eerste verzending bepalend bleef voor de beroepstermijn om tegen de uitspraak hoger beroep aan te tekenen. De uitspraak tegen bezwaar luidde:  1- Dat het beroep tegen de dubbele procedure (Besluit-1 kenmerk 11.069715) niet ontvankelijk werd verklaard. Als motivatie voerde de rechtbank aan dat m.b.t. de niet ontvankelijk verklaring eiser had moeten begrijpen het om een en hetzelfde besluit ging en de afwijkend gemotiveerde afwijzing als aankondiging had moeten worden verstaan als aankondiging van het anders gemotiveerde besluit. 

             2- Dat de bezwaren van eiser tegen het besluit van de burgemeester (B2 kenmerk 11037209) om de aanvraag voor een ID-kaart niet in behandeling te nemen ongegrond waren omdat de burgemeester gehouden was om uitvoering te geven aan de EU Verordening, de Paspoortwet en de Paspoort Uitvoeringsregeling (PUN). Waarbij als motivatie werd aangevoerd dat:

  •  De Nederlandse Identiteitskaart diende te voldoen aan eisen van de Verordening omdat het om een internationaal reisdocument zou gaan, en de rechtbank geen acht hoefde te slaan op de bestreden onrechtmatigheid van de Verordening omdat  Wijnberg die niet al vóór de beroepsfase had ingebracht als argument.
  • De Nederlandse Staat gerechtigd was om vingerafdrukken op te slaan in een overheidsdatabase omdat de daarmee beoogde fraudebestrijding voldeed aan het criterium van een dringende maatschappelijke behoefte. En het als geëigende methode zou zijn beoordeeld door onderzoek van TNO.
  • De wetgeving niet indruiste tegen de mogelijkheden om inbreuk te maken op het EVRM omdat het zou gaan om een democratisch tot stand gekomen wetgeving die voor de burger toegankelijk en voorzienbaar is. Waarbij expliciet gesteld werd dat wat er ook waar was van de stelling van eiser dat de wet niet democratisch tot stand zou zijn gekomen omdat het parlement daarmee ingestemd had op grond van onjuiste voorlichting, daar niets aan af deed.
  • De inmenging in het privéleven proportioneel was omdat de wetgever haar nationale beoordelingsmarge niet overschreed ook al bepaalde de internationale Verordening dat de vingerafdrukregistratie uitsluitend gebruikt zouden mogen worden voor het ter plekke verifiëren van de echtheid van reisdocumenten en het identificeren van de drager bij grenscontroles aan de buitengrenzen van de EU.
  • Het beroep van eiser tegen het feit dat de burgemeester weigerde haar bezwaar te toetsen aan hogere wetgeving dan de Paspoortwet niet werd meegewogen omdat eiser dat niet ‘voldoende concreet’ had gemaakt.
  • Art. 28a van de PUN correct was toegepast omdat de mogelijke uitzondering vanwege een tijdelijke verhindering enkel zou gelden voor puur fysieke tijdelijke verhinderingen ( die ook niet als fysiek ten gevolge van gewetensnood zouden mogen worden aangemerkt).
  • Wijnberg geen recht toekwam op gewetensbezwaar omdat de wetgever daar in de Paspoortwet expres geen mogelijkheid voor had geboden en de EU Verordening daar ook geen expliciete uitzondering voor had vastgelegd.
  • De burgemeester de Paspoortwet onverkort had moeten toepassen, ongeacht de consequentie dat burgers daarmee in levensbedreigende situaties kunnen komen te belanden en uitgesloten worden van deelname aan het gewone maatschappelijke verkeer.
  • Er geen afbreuk werd gedaan aan het recht op fair trial omdat Wijnberg zonder identiteitsbewijs in staat gesteld werd om de beroepsprocedure te voeren.
  • De rechtbank niet meeging in het argument dat er met het afgeven en opslaan van vingerafdrukken veiligheidsrisico’s ontstaan, omdat de wetgever de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen toepast.
  • Het bezwaar tegen de digitale gezichtsopname niet van toepassing is omdat de aanvraag geweigerd werd vanwege de weigering van afgifte van vingerafdrukken en de burgemeester derhalve niet op deze inhoudelijke bezwaren hoefde in te gaan.
  • ‘Ook hetgeen eiser verder heeft aangevoerd, de rechtbank geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen’ . Waarbij uitdrukkelijk voorbij wordt gegaan aan de bezwaren tegen het gebruik van de biometrische data door politie, justitie en veiligheids- en inlichtingendiensten (a), de fabrikant (b)- en via deze de opeisbaarheid van de data via de VS Patriot Act (c), de clausule in de Paspoortwet die bij ministeriële besluitvorming operationeel kan worden waardoor de data uit de gemeentelijke databanken worden overgeheveld naar één Centraal 7dgs/24 uurs online overheidregister voor justitieel gebruik, waar de burger pas na in werking stelling- achteraf als zijn gegevens daar een keer inzitten- bezwaar tegen mag gaan maken (d).

De uitspraak werd gepubliceerd (onder nummer LJN: BY2245, Rechtbank Utrecht , SBR 12/415) maar staat geregistreerd  onder een verkeerde datum. Zie: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:BY2245&keyword=LJN%3a+BY2245

Op 16-11-2012 werd (pro forma) Hoger beroep aan getekend bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en op 13-12-2012 de hiervoor verschuldigde leges van € 232,00 betaald.

Op 14 -1- 2013 volgde de indiening van de nadere bezwaargronden (Grieven)

Op 21-1-2013 verzocht de landsadvocaat namens de burgemeester om de zaak niet te gaan behandelen maar deze aan te houden, voor de duur die het EU Hof van Justitie zou nodig hebben om de drie prejudiciële vragen van de Raad van State te beantwoorden.

De vragen waar hier naar verwezen werd betroffen de vragen die Raad van State op 28-9-2012 had uitgezet bij het EU Hof van Justitie. Namelijk de vraag 1 of de Verordening wel als rechtmatig kon worden aangemerkt in het licht van de Mensenrechten. Vraag 2 of de verordening zo moet worden begrepen dat de lidstaten wettelijk dienen te waarborgen dat de biometrische  gegevens die op grond van de Verordening worden verzameld niet voor andere doeleinden mogen worden verzameld, verwerkt en gebruikt dan voor de afgifte van het document (zoals de Nederlandse Paspoortwet voorschrijft).  En vraag 3 of de Nederlandse identiteitskaart eigenlijk wel onder de bepalingen van de EU Verordening valt.

NB Waarbij de vraag naar de rechtmatigheid van de Verordening, die vanwege het vermeende antwoord dat daarop was gegeven in de Duitse zaak Schwarz op 4-12-2013 weer schielijk zou worden ingetrokken.

Op 22-2-2013 verzocht Wijnberg de Raad van State om spoed te zetten achter de behandeling en deze niet te laten afhangen van een uitspraak van het EU Hof van Justitie die hoe dan ook niet van doen had met het beroep tegen de dubbele procedure en ook niet met de secundaire aanvraag voor een tijdelijk 1-jarig document. Nog los van het feit dat het antwoord op de vraag of de NL ID-kaart überhaupt wel onder de reikwijdte van de Verordening valt al sinds 2004 gewoon in de tekst van die Verordening zelf te lezen staat.

Op 26-4-2013 liet de Raad van State weten dat de behandeling werd aangehouden. Daarmee intrinsiek aangevend dat Wijnberg er bij gevolg op diende te rekenen dat ze zich nog zo’n 2 ½ jaar zonder geldig identiteitsbewijs zou moeten zien te redden aangezien alle pogingen van bezwaarden om een tijdelijke voorziening af te dwingen eerder al door de Raad van State waren afgewezen.

Op 8-7-2013, bij gelegenheid van de feestelijke uitreiking van het eerste Jaarverslag van het Nederlandse College voor de Rechten van de Mens, verzocht Wijnberg persoonlijk aan de toen inmiddels verantwoordelijke minister van BZK, Plasterk, ten minste ten tijde van de lopende juridische procedures aan bezwaarden een tijdelijk document te verstrekken. Dit weigerde hij categorisch, zoals hij ook na 4-9-2013 geen gevolg gaf aan de oproep van de Nationale Ombudsman en leden van de Tweede Kamer om de principiële weigeraars, in afwachting van de nationale en Europese procedures, tegemoet te komen met een tijdelijke (nood) oplossing.

Inmiddels was er op politiek gebied echter wel het een en ander gebeurd. Nadat eerst al de bewaartermijn van de vingerafdrukken in de gemeentelijke databases was teruggebracht van 11 jaar tot de duur van het uitgifte proces, kwam de uitgifte van een ‘vingerafdruk-vrije’ ID-kaart  nu ook eindelijk echt in zicht. Qua constructie bleef het natuurlijk gedrochtelijk dat daarvoor volgens de Rijksoverheid eerst de status van de ID-kaart als internationaal reisdocument moest worden gewijzigd, terwijl het die status nooit daadwerkelijk kon hebben gehad… maar bijna drie jaar na de toezegging van de minister om dit in elk geval vlot te gaan regelen was het dan zover. Vanaf 20 januari 2014 hoefde er formeel geen vingerafdrukken meer te worden afgegeven om een Nederlandse ID-kaart aan te vragen.

Op 20-1-2014 , de eerste dag dat er geen vingerafdrukken meer geëist werden voor een ID-kaart toog Wijnberg opnieuw naar Burgerzaken om daarvoor een aanvraag te doen. Maar omdat met de uitgifte van deze kaart de bezwaren niet werden weggenomen tegen het opslaan van een digitale gezichtsopname in de gemeentelijke database en het document en tegen het gebruik van de RFID chip vroeg zij de identiteitskaart aan met overlegging van de schriftelijke verklaring dat zij uitsluitend toestemming verleende voor het gebruik van de aan te leveren pasfoto voor een ‘fysiek zichtbare verwerking óp de ID-kaart’.

Op 4-11-2014 stuurde Wijnberg een brandbrief aan de Europese Commissie ter attentie van de nieuw benoemde vice voorzitter dhr. Timmermans met de vraag om de EU Verordening zodanig te wijzigen  dat:

  • Dat burgers die bezwaar maken tegen de opslag van hun biometrische gegevens een alternatief wordt geboden waardoor zij, via non digitale identificatie, toch in de gelegenheid worden gesteld om te kunnen reizen.
  • Dat de beveiliging van paspoorten niet enkel wordt afgemeten aan de ‘veiligheidsvoorschriften van de gebruikte methoden’ maar de methoden zelf onderdeel van de beoordeling op veiligheid gaan uitmaken.
  • Dat burgers het recht krijgen om de toegang tot hun paspoortgegevens zoals die worden opgeslagen in een microchip zelf te kunnen beheren (analoog aan een pincodesysteem).

Op 16-11-2014 woonde Wijnberg de zitting bij van het van EU Hof van Justitie in Luxemburg.

Op 16-4-2015 maakte het Hof haar standpunt bekend dat de Nederlandse ID-kaart een nationaal document is en geen reisdocument. Dat het volstaat als identificatiemiddel om binnen Europa te kunnen reizen, heeft niets van doen met een reisdocument maar is geënt op het recht dat iedereen toekomt, die kan aantonen een EU burger te zijn, om zich binnen het Schengengebied vrij te mogen verplaatsen.

Over de vraag of Nederland wel rechtmatig handelde door vingerafdrukken, die verzameld worden voor de afgifte van paspoorten en ID-kaarten ook voor andere doeleinden te verwerken en te gebruiken deed het Hof geen uitspraak. Het gaf aan dat het hier om een nationale aangelegenheid ging waar het zich niet wilde mengen en waarvan burgers die er bezwaar tegen hadden maar nationaal moesten gaan procederen en het finale oordeel uiteindelijk daarna zou kunnen voorleggen aan het Eu Hof voor de Rechten van de Mens.

Op 28-4-2015 stuurde de Raad van State dit arrest van Hof aan Wijnberg en vroeg gelijk om haar toestemming om de behandeling van haar hoger beroepszaak zonder zitting af te doen.

Op 12-5-2015 reageerde Wijnberg dat ze beslist geen toestemming gaf voor het achterwege laten van een zitting.

Op 26-5-2015 voegde zij daar aan toe dat ze ook niet akkoord ging met een gemeenschappelijke behandeling van alle Paspoort/ID-kaart zaken maar het van belang achtte dat de behandeling van haar beroepsprocedure als op zichzelf staande zaak zou worden behandeld. Dit om te voorkomen dat bij een gezamenlijke behandeling van ’als vergelijkbaar’ aangeduide procedures geen recht zou worden gedaan aan een gewetensvolle behandeling van alle argumenten die zij specifiek had ingebracht om duidelijk te maken dat voor haar het gebruik van biometrie en RFID chips voor het verkrijgen van een ID-kaart om principiële- en veiligheidredenen een onacceptabele aantasting van haar fundamentele mensenrechten vormt.

Op 13-11-2015 stuurde Wijnberg als aanvullende processtukken voor de behandeling in hoger beroep alsnog informatie.

- Over haar verklaring 20-1-2014 met betrekking tot de beperkte toestemming van het    gebruik van haar pasfoto voor digitalisering

- De recente publicatie in het NRC over de mogelijkheden van een ‘total sensor surveillance system, gebaseerd op gezichtsherkennings technologie’.

- Nieuwe actuele informatie die beschikbaar was gekomen over het gebruik van de reisdocumentenadministratie voor justitiële doeleinden.

- Over de onvoorzienbaarheid van de wetgeving.

- Over het functioneren van nationale en internationale veiligheids-en inlichtingendiensten.

- En een verzoek tot nietigverklaring van de Nederlandse wetgeving met betrekking tot de ID-kaart opgrond van de valse status als internationaal reisdocument, waardoor besluitvorming over de ID-kaart op ondemocratische wijze buiten het parlement om tot stand was gekomen.

Op 26-11-2015 was het dan eindelijk zover en kon Wijnberg na 10 jaar verzet tegen de gechipte paspoorten en ID-kaarten eindelijk haar mond opendoen tegenover het hoogste nationale rechtscollege, aan wie de taak toekwam om na de niet ontvankelijk verklaring van de civiele rechtszaak tegen de Paspoortwet-2009 door de Hoge Raad, het finale oordeel te vellen in de nationale rechtsgang.

Op 25-5-2016 werd uitspraak gedaan in het hoger beroep

Daarbij werd Wijnberg in het gelijk gesteld dat er op grond van de Paspoortwetgeving nooit vingerafdrukken geëist hadden mogen op de valse grondslag dat dat een verplichting zou vormen volgens de EU verordening aangaande biometrische paspoorten en reisdocumenten. Het oordeel luidde dan ook dat Wijnberg terecht hoger beroep had aangetekend tegen het besluit van de burgemeester en dat dit besluit  evenals de uitspraak van de rechtbank Utrecht in eerste aanleg vernietigd werden.

Positief aan de uitspraak was vooral dat de hoogste bestuursrechter zich, voor geen misverstand vatbaar, uitsprak over het feit dat alle burgemeesters van Nederland zich direct dienen te houden aan de fundamentele wetgeving inzake mensenrechten. OOK als dat betekent dat ze nationale wetgeving van lagere orde- zoals de Paspoortwet -niet kunnen uitvoeren zoals die luidt’.

Bron: zaak van de zaak Wijnberg (ID-kaart) zaaknummer 201210953/A3 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=87786&summary_only=&q=201105172%2F2%2FA3++

Desalniettemin is de uitspraak maar ten dele bevredigend voor Wijnberg, ondermeer omdat:

  • De Raad van State uitdrukkelijk vermeden heeft om de principiële bezwaren tegen de schending van de fundamentele mensenrechten te toetsen.
  • Er afwijzend wordt geoordeeld wordt over het bezwaar tegen het gebruik van de gedigitaliseerde pasfoto voor opslag in -en gebruik via -de gemeentelijke database.
  • Er voorbij wordt gegaan aan de vraag om nietigverklaring van de wetgeving inzake de ID-kaart vanwege de ondemocratische totstandkoming ervan.
  • Er niets klopt van de redenering dat de voormalig verantwoordelijke minister ( nu vice- voorzitter van de Raad van State waarvan de uitspraak leest als zijn persoonlijke dictaat) , tot het inzicht zou zijn gekomen dat de ID-kaart geen internationaal reisdocument was omdat dat in ander lidstaten ook niet het geval was. Volgens welke selectieve uitleg aan de hand van één Kamerbrief, gemakshalve verdonkeremaand wordt dat de beslissing om de ID-kaart ‘vingerafdruk-vrij’ te maken voornamelijk werd ingegeven door de overweldigende bewijzen van het feit dat een gigantisch percentage van de vingerafdrukken bij 1 op 1 verificatie niet bleek overeen te komen met die van de persoon aan wie ze volgens het systeem werden toegeschreven, en dus nooit als oplossing konden dienen voor fraudebestrijding als groot maatschappelijk belang. Waarvan bovendien uit cijfers inmiddels was gebleken dat het om een zodanig kleinschalig probleem ging dat het opslaan van de vingerafdrukken van de Nederlandse bevolking in dat licht als buitengewoon buitenproportioneel diende te worden aangemerkt.  En waarvan de expertmeeting die  de Tweede Kamerleden in april 2011 hadden georganiseerd had uitgewezen dat er doelbewust valse informatie was voorgeschoteld aan de Kamer ten aanzien van de onderzoeksresultaten die de doelmatigheid van de vingerafdruktechnologie zouden bevestigen.
  • Geen afweging in haar zaak wordt gemaakt over het ontbreken van het recht op gewetensbezwaar en aantasting van het recht op fair trial.
  • Geen acht wordt geslagen op het feit dat Wijnberg met haar bezwaren tegen het gebruik van de biometrische gegevens door de fabrikant zich uitdrukkelijk kantte tegen de bevoegdheid die dit particuliere buitenlandse monopoliebedrijf contractueel van de Staat heeft gekregen om ongelimiteerd onderzoek te kunnen doen met alle gegevens aangaande het aanvraag-en uitgifte proces van de paspoorten en identiteitsbewijzen.

Absoluut onbegrijpelijk vind Wijnberg het voorts dat de uitspraak er blijk van geeft dat de hoogste Nederlandse bestuurrechter geen notie blijkt te hebben van de reikwijdte van de voormalige Patriot Act- Nu Freedom Act die nationale en EU wetgeving overruled. De weerlegging van de geopperde bezwaren tegen het verplicht moeten aanleveren aan de inlichtingendiensten in de VS door fabrikant Mopho, van alle haar ter beschikking staande data, bestaat uit het onzinnig napraten van  voormalig minister Spies van BZK. In navolging van haar stelling dat het opeisen van data bij Morpho op grond van Amerikaanse wetgeving geen serieus risico vormde omdat het een theoretisch risico betreft(?) citeert de Raad van State, als motivering om het risico te bagatelliseren, ook glashard nog de onterechte veronderstelling dat er aan een vordering op grond van de Patriot Act een rechterlijke beslissing ten grondslag hoort te liggen. Omdat de clou van Patriot Act nou juist is gelegen in het feit dat deze buiten enige rechterlijke inmenging om van toepassing was, acht Wijnberg deze passage van de uitspraak als absoluut onverteerbaar.

En daarmee komt zij tot de conclusie dat voor haar de hoger beroepszaak, in tegenstelling tot wat de Raad van State haar schreef, nu niet is afgedaan.

Ook moge het duidelijk zijn dat zij na 10 jaar, haar strijd tegen het opslaan en uitwisselen van de digitale gezichtsopname die de overheid van haar pasfoto liet maken, niet zomaar opgeeft.

 

Processtukken:

 

Gelezen 6096 keer