donderdag, 01 juli 2021 13:38

Voortgang rechtszaak Vrijbit tegen AP over het DIS- Diagnose Informatie Systeem ( DIS)

Update 03-09-2021 Raad van State heeft de zitting van de twee verschillende zaken  op zelfde tijd op 2 november as.gepland. Daarmee wordt het de derde keer dat Vrijbit gedwongen is om bezwaar aan te tekenen en aan de rechter uit te leggen dat we ' met het oog op een zorgvuldige beoordeling, van de twee verschillende cases, gelijktijdige behandeling absoluut onacceptabel achten.' Juist OMDAT de zaken overeenkomen omdat het gaat over onrechtmatig verzamelen en verwerken van medische gegevens, beide zaken een aanklacht vormen tegen de toezichthouder AP en de bezwaren worden gebaseerd op de fundamentele mensenrechten op privacy en lichamelijke integriteit en het belang van het medisch beroepsgeheim.

In ‘de zaak over de gedragscode’ immers gaat het over private commerciële partijen, terwijl het in de ‘DIS-zaak’ om een semi-overheids instantie gaat. Qua verschillende status met samenhangende verschillen, qua bevoegdheden, wettelijk kader, wijze waarop medische gegevens worden verzameld en verwerkt, koppeling met andere databestanden & verwerkingstechnisch zijn de zaken zodanig verschillend dat het van belang is om ze scherp van elkaar geschieden te beoordelen.’

Op 23-07-2019 deed de rechtbank Midden-Nederland definitief uitspraak in de rechtszaak die Vrijbit had aangespannen tegen de toezichthouder AP, omdat deze weigert in te grijpen tegen het DIS- Diagnose Informatie Systeem, van de Nederlandse Zorgautoriteit  zie Uitspraak

Op 30 augustus 2019 tekende Vrijbit tegen deze uitspraak Hoger beroep aan bij de Raad van State.

Toelichting

Deze zaak (UTR 16/4199 WBP V93) gaat over de wijze waarop de Nederlandse Zorgautoriteit ( NZa) de medische diagnose- en behandelgegevens (DBc) van de gehele Nederlandse bevolking periodiek opeist van de zorgverleners, deze zelf verwerkt in het DIS en verstrekt aan derde partijen. Het DIS waarvan het CBP elf jaar geleden al aangaf dat het geen tot de persoon herleidbare persoonsgegevens zou mogen bevatten maar al jaren onomstotelijk is komen vast te staan dat dit wel degelijk het geval is. Het DIS wat een van de manieren vormt waarop de minister en de NZa hoe dan ook de hand willen kunnen leggen op ieders medische dossier, ook al gaat dit om vertrouwelijke gegevens intieme gegevens die uitsluitend toegankelijk behoren te zijn voor patiënten en zorgverleners die direct bij een bepaalde medische behandeling van hen zijn betrokken.

Deze juridische procedure startte op 3 mei 2015 met een handhavingsverzoek van Vrijbit aan de toezichthouder.

Op 11 juli 2017 werd er na een hoop vertraging een voorlopige uitspraak gedaan  door de rechtbank Midden-Nederland, waarbij de AP gesommeerd werd om binnen 8 weken de besluitvorming te herstellen. Herstellen kon hetzij met een aanvullende motivering, hetzij voor zover nodig met een nieuwe beslissing op bezwaar. AP moest van de rechter:

  • Per taak van NZA onderzoeken en motiveren of daarvoor noodzakelijk is dat medische persoonsgegevens noodzakelijk zijn of dat met geanonimiseerde gegevens volstaan kan worden.
  •  Per taak van ZiNL, de ACM en het CBS onderzoeken en motiveren of daarvoor medische data moeten worden verstrekt door NZa of dat met geanonimiseerde gegevens volstaan kan worden.
  • Onderzoeken en motiveren waarom er geen last onder dwangsom of andere handhavingsinstrumenten zijn ingezet versus NZa vanwege onrechtmatige verstrekking van medische gegevens aan ministerie en CBP teneinde onrechtmatig verstrekte gegevens terug te laten sturen of te vernietigen.

Indien geen reactie van AP volgde zou binnen 2 weken een definitieve uitspraak worden gedaan.

Na wederom veel uitstelverzoeken, te late inlevering van informatie, procedures over de geheimhoudingsverzoeken van een deel van de geleverde informatie en verzoeken van derden om als procespartij te mogen deelnemen, diende Vrijbit een klacht in vanwege de overschrijding van een redelijke termijn waarop de zaak behandeld zou worden. Deze klacht is toegekend. Uiteindelijk werd er een zitting gepland op 15 februari 2019. Waarna na diverse keren uitstel er op 23 juli 2019 een definitieve uitspraak volgde van de rechtbank.