vrijdag, 15 januari 2010 02:58

Bewaarplicht januari 2010

Zoals in een vorig artikel is aangegeven, is deze wet op 7 juli 2009 door de Eerste Kamer aangenomen na een lang en levendig debat. Hierbij hadden alle partijen, ook de fracties die uiteindelijk voor de wet stemden, veel kritiek op het wetsvoorstel. Met name wat de bewaartermijn voor internetgegevens aangaat. Daar Hirsch Ballin, minister van Justitie, vreesde dat het wetsvoorstel niet zou worden aangenomen, beloofde hij de Eerste Kamer om een “reparatiewet” naar de Tweede Kamer te sturen.

Gepubliceerd in Dossier Bewaarplicht

Geschiedenis

In oktober 1991 werd tijdens de eerste internationale workshop over Nationale Instituten ter Bevordering en Bescherming van de Rechten van de Mens in Parijs de VN resolutie opgesteld die ieder land oproept om zo’n nationaal instituut dient op te richten.

Dit besluit wordt aangeduid als de ‘ Paris Principles’ en is in 1992 vastgelegd in de resolutie 1992/54 van de VN Commissie voor de Rechten van de Mens ( UNHRC) en in 1993 in besluit 48/134 van de Algemene vergadering van de VN.

Vele lidstaten hebben reeds aan deze oproep voldaan, maar uitgerekend Nederland- zetel van het Internationale Strafhof waar misdaden tegen de menselijkheid worden berecht- beschikt anno 2010 zelf niet over zo’n instituut.

Dit terwijl door nieuwe wet- en regelgeving op nationaal gebied steeds verder inbreuk wordt gemaakt op de fundamentele burgerrechten van de bevolking. Op 8 september 2005 verscheen het advies ‘De daad bij het woord’. Opgesteld in opdracht van een consortium bestaande uit de Commissie gelijke behandeling, het College bescherming persoonsgegevens, de Nationale ombudsman en het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten van de Universiteit Utrecht.

Op 25 oktober 2006: nam de Tweede Kamer een motie aan die de regering oproept zo snel mogelijk te regelen dat het Nederlands Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens (NIRM) wordt opgericht. De motie (initiatief van Groen Links) werd mede ondertekend door PvdA en D66 en kon tijdens de stemming rekenen op de steun van de VVD.

Op 18 april 2007 verscheen het rapport ‘Mensenrechten verbinden en verplichten’. Ook dit pleitte voor de spoedige oprichting van een Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens (NIRM) in Nederland. Het rapport adviseerde de Nederlandse regering om het NIRM, in afwachting van een publiekrechtelijke basis, op te richten als een stichting met een bestuur en een adviesraad waarin mmensenrechtenorganisaties en het maatschappelijk middenveld zijn vertegenwoordigd. Daarvoor is volgens de opstellers een bedrag van € 1,15 miljoen nodig. Net als het Duitse instituut zal het NIRM wegens een bescheiden budget geen individuele klachten behandelen, maar deze doorverwijzen naar de aangewezen instanties. Naast de reeds genoemde taken, zal het NIRM aanspreekpunt zijn voor buitenlandse en internationale mensenrechteninstituten, waaronder het EU-Grondrechtenagentschap en de Commissaris voor de mensenrechten van de raad van Europa.

Op 20 november 2006 werd tijdens het NJCM debat ‘Partijprogramma's langs de mensenrechtelijke meetlat' georganiseerd door het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) bekend gemaakt dat er een stichting Nationaal Instituut voor de rechten van de Mens zal worden opgericht met Mr.dr. M. Oosting als voorlopig voorzitter. De organisatie hiervan werd ondergebracht bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB).

Post en telefonische pogingen van het Meldpunt Misbruik ID-plicht om via deze Commissie in contact te komen met vertegenwoordigers van de stichting in oprichting bleven zonder resultaat. Iedere vraag over de voortgang aan fracties van politieke partijen in Eerste en Tweede Kamer en aan leden van het Kabinet bleven onbeantwoord.

Op 11 december 2009 lanceerden de ministers van Binnenlandse Zaken(ter Horst- PvdA) en van Justitie( Hirsch Ballin-CDA) een concept-wetsvoorstel genaamd: ‘Wet College voor mensenrechten en gelijke behandeling’.

Dit voorstel behelst het plan om de naam en functieomschrijving te veranderen van de huidige Commissie Gelijke Behandeling en dit voortaan als advies College- met de niet uit te spreken aanduiding Cmgb- te laten doorgaan als nationaal instituut voor mensenrechten.

Daarmee is één stap vooruit gezet, namelijk dat de besprekingen in de Tweede Kamer over de voorbereiding van een Nationaal Instituut voor de Mensenrechten niet langer in de commissie voor Buitenlandse Zaken plaatsvinden maar onder de verantwoordelijkheid van Binnenlandse Zaken en Justitie zijn komen te vallen. Of er van verdere vooruitgang sprake is valt ernstig te betwijfelen al mogen kritische burgers en betrokken organisaties tot 12 januari 2010 een zienswijze over het voorstel indienen.

 

11 januari 2010 Zienswijze Vrijbit

Vrijbit constateert dat het kabinet, 20 jaar nadat Nederland instemde met de VN oproep dat alle landen een Nationaal Instituut voor de Mensenrechten zouden moeten oprichten, na veel tegenwerking nu definitief probeert te regelen dat er GEEN ONAFHANKELIJK MENSENRECHTENINSTITUUT IN NEDERLAND wordt opgericht.

Het concept-wetsvoorstel is een doorzichtige poging om formeel, door andere naties en door het VN comité voor de mensenrechten, niet langer te kunnen worden beticht van het feit dat Nederland nog steeds niet over zo’n instituut beschikt en er zelfs geen start is gemaakt met het voorbereiden van de oprichting ervan.

Uiteraard is dit een behoorlijke blamage voor een land wat zich graag profileert als voorvechter van de bescherming van mensenrechten in andere landen en als zetel fungeert van internationale rechtsprekende organen. Dat wereldwijd de afgelopen jaren met toenemende verbazing en ongeloof wordt gekeken naar het verschijnsel dat Nederland van democratische rechtstaat- met vrijheid als hoogste goed in het vaandel- afglijdt tot een staat waar angst en wantrouwen de basis vormen en de overheidscontrole en -repressie en o.a. volgens onderzoek van Privacy International steeds meer gelijkenis gaat vertonen met een politiestaat, begint stilletjes aan ook op regeringsniveau door te dringen. Met het voorliggende wetsvoorstel kan het kabinet in elk geval minstens ontkennen dat er niet eens voorbereidingen in gang zijn gezet om ooit zo’n nationaal instituut in te stellen.

Inhoudelijk stelt het voorstel echter geen fluit voor en kan terecht de vraag worden gesteld of een nepcollege voor de mensenrechten wel een verbetering is t.o.v. helemaal geen instituut. De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) zou,volgens het voorliggende wetsvoorstel, zonder dat daar extra personeel voor wordt ingezet, met nauwelijks extra budget en zonder onafhankelijke status, voortaan geacht worden te fungeren als instantie die naleving van alle mensenrechten in Nederland dient te waarborgen.

Adviezen van dit College mgb over voorgenomen wetgeving en uitvoering van overheidmaatregelen krijgen geen bindende kracht. Qua rechtspositie, om in geval van schending van mensenrechten onrechtmatige overheidsdaden aan de rechter voor te leggen, zou het nieuwe College niet meer bevoegdheid krijgen dan iedere individuele burger of andere rechtspersoon. De taakomschrijving wordt zodanig dat er wel allerlei informatie moet worden onderzocht en verstrekt over mensenrechten ( met name aan andere overheden) maar dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de burger een beroep kan doen op hulp als zijn fundamentele mensenrechten worden geschaad of dreigen dat te worden en het inzicht van het Cmgb dus ook niet op praktijkervaringen wordt gebaseerd.

Op de naamsverandering na verandert er dus weinig ten faveure van de bescherming van de Rechten van de Mens in eigen land. Dit terwijl met name de fundamentele grondrechten op bescherming van het persoonlijke leven en lichamelijke integriteit de laatste jaren steeds verder worden ingeperkt.

In dat licht is het een griezelige constatering dat zo’n nieuw college- wat wordt aangeduid met de afkorting Cmgb wat zelfs nauwelijks is uit te spreken- naar buiten toe moet doen voorkomen dat ook Nederland, na enige vertraging, nu dan toch zou gaan voldoen aan de instelling van een nationaal instituut volgens de zgn Paris Priciples. Het is zorgwekkend dat onze regering, die het instellen van een onafhankelijk nationaal instituut als steunpunt voor de eigen bevolking onwenselijk acht, zich op deze manier toch een A status probeert te verwerven die nodig is om actief te kunnen participeren in internationaal VN overleg inzake mensenrechten.

Naar de burger toe kan het instellen van een tandeloze waakhond, analoog aan het College Bescherming Persoonsgegevens, zelfs negatief uitwerken door als afleidingsmanoeuvre te dienen om de mensenrechten niet daadwerkelijk te hoeven respecteren. ‘We hebben advies gevraagd aan het college’ of ‘We hebben melding gemaakt bij het college’ worden dan ook met betrekking tot deze instelling als synoniem opgevoerd voor het daadwerkelijk respecteren van de Rechten van de Mens.

De gewone burger en volksvertegenwoordigers kunnen zo onwetend worden gelaten of bij kritiek worden gesust als respectievelijk het college negatief adviseerde maar het advies vervolgens werd genegeerd of het college praktijken veroordeelde maar er niks aan kan doen omdat men geen bevoegdheid heeft om effectieve sancties op te leggen.

Opmerkelijke aanwijzing voor deze functie is dat de ministers dit plan publiceerden met de letterlijke vermelding dat men verwacht dat daarmee voortaan het ‘College voor mensenrechten en gelijke behandeling’ de menselijke waardigheid in Nederland zal beschermen en bevorderen.

Hoe men dat zou moeten realiseren zonder geld, zonder genoeg personeel, zonder machtsmiddelen en in een afhankelijk positie waarbij benoemingen en financiering afhankelijk zijn van de minister van Justitie, staat er niet bij.

De vereniging Vrijbit heeft geen vertrouwen in de intentie die aan het wetsvoorstel ten grondslag ligt. Dat er geen sprake is van het oprichten van een onafhankelijk instituut is principieel onjuist en schandalig. Deze mening baseren we op de ervaringen in zake mensenrechtenkwesties met het instituut de Nationale Ombudsman en het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP): Het onafhankelijke oordeel van de Nationale Ombudsman wordt namelijk door de bewindslieden van de kabinetten Balkenende systematisch afgebrand in plaats van te gebruiken om de relatie tussen de overheid en de burger te verbeteren. Dit gebeurt zelfs op een uiterst ordinair niveau waarbij men niet op de kritiek ingaat maar de ombudsman als persoon in diskrediet probeert te brengen.

Het CBP wordt niet serieus genomen maar als het zo uitkomt uitsluitend gebruikt om naar buiten toe de indruk te wekken dat er een college is wat fungeert als waakhond voor naleving van de rechten t.a.v. de bescherming van persoonsgegevens. Tekenend is dat terwijl het werkterrein van het CBP door alle politieke en technische ontwikkelingen m.b.t. opslag van persoonsgegevens gigantisch is toegenomen, maar steeds wordt bedreigt met bezuinigingen en wegens gebrek aan middelen geen individuele hulpvragen meer in behandeling kan nemen.

Vrijbit dringt er op aan dat er in Nederland een Nationaal Instituut voor de Mensenrechten wordt ingesteld wat onafhankelijk kan functioneren, in plaats van afhankelijk te zijn van het ministerie van Justitie en politieke overwegingen in het parlement.

We willen bovendien dat zo’n instituut er in de allereerste plaats komt ten behoeve van de burger, zodat iedereen die slachtoffer wordt van mensenrechtenschendingen in ons land of bang is daar slachtoffer van te worden niet aan zijn lot wordt overgelaten maar een beroep kan doen op een instituut waar mensen deskundig zijn op dit gebied.

Als vrijwilligersorganisatie, waar dagelijks wanhopige mensen over deze kwestie om raad en hulp aankloppen, vinden we dat we recht van spreken hebben om te stellen dat het keihard nodig is dat er zo snel mogelijk een dergelijk steunpunt voor de Nederlandse burger dient te komen.

BRONNEN

Concept wetsvoorstel College mgb

Memorie van Toelichting

Persbericht 11-12-09

22-09-2003 NJCM roept op tot instelling van nationale mensenrechtencommissie

3-07-2006 Kamerdebat over een Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens

22-11-2006 Opmerkelijke uitspraken op NJCM-verkiezingsdebat

2-05-2007Een Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens ook voor Nederland

 

 

Gepubliceerd in Wet en Regelgeving
dinsdag, 08 december 2009 03:37

Dossier OV-chipkaart

Het OV-chipkaartsysteem schendt het recht op bescherming van de persoonlijke vrijheid.

Inherent aan het systeem, wat beoogt een nieuw betaalsysteem te introduceren voor alle vormen van openbaar vervoer, is namelijk het vastleggen van het reisgedrag der klanten.

Dit druist in tegen de fundamentele burgerrechten om ongestoord en onbespied te kunnen gaan en staan waar men wil ( zolang men anderen geen schade berokkend).

Het systeem kent persoonsgebonden en niet-persoonsgebonden kaarten.

In beide gevallen wordt onacceptabel inbreuk gemaakt op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Omdat in Nederland naast het OV-chipsysteem geen alternatief betaalsysteem met papieren kaartjes blijft bestaan, zoals in andere landen, is iedereen die van het openbaar vervoer gebruik wil maken op den duur verplicht zich aan de regels van het systeem te onderwerpen.

Zoiets heet systeemdwang. Het feit dat de privacyinperking wordt afgedwongen door semi-openbare bedrijven- die groot geworden zijn met het gemeenschapsgeld van de mensen die ze nu gaan bespioneren- maakt het extra wrang.

(1) Het gebruik van RFID-chips maakt de OV-chipkaart onveilig. De gegevens van de OV-kaart kunnen op afstand door anderen uitgelezen worden, de kaart kan gekopieerd en gemanipuleerd worden, en het saldo wat op de kaart staat kan eenvoudig gestolen worden.

(2) Het is nergens voor nodig dat vervoersmaatschappijen voortdurend exact registreren en vastleggen waar iemand zich op welk moment bevind, bij iedere in- en uitcheck ook videobeelden vastleggen en al deze gegevens ook nog eens voor onbepaalde tijd bewaren. Te veel en te lang bewaren van persoonsgegevens tast de persoonlijke vrijheid aan.

(3) Zowel de daaraan te koppelen toepassingen van justitiële als van commerciële aard tasten de privacy aan. Door het nieuwe systeem worden OV bedrijven een verlengstuk van politie en justitie en kunnen zij geld gaan verdienen met het commercieel aanwenden van persoonsgegevens voor marketing en reclame doeleinden. epen mensen kunnen uitzuiveren.

(4) Iedereen die er niet van gediend is dat zijn reisgedrag wordt vastgelegd of pasfoto wordt ingescand en digitaal opgeslagen in de administratie van het vervoersbedrijf wordt in het systeem namelijk uitgesloten van abonnementen en zal financieel benadeeld worden als hij zijn privacy wil beschermen. OV bedrijven die als taak hebben om voor goed vervoer te zorgen gaan op deze manier geld verdienen aan de privacy van hun klanten.

Digitale opslag van pasfoto’s

Er is jaren strijd gevoerd om te zorgen dat de vervoersbedrijven geen digitale opslag in de administratie mogen vastleggen van de pasfoto’s die zij voor de aanmaak van abonnementen maken, tenzij de klant daar uitdrukkelijke en vooraf toestemming voor geeft.

Een klant van de NS, die weigerde haar pasfoto in de administratie laten opslaan, is op 12 - 6 -2009 in het gelijk is gesteld door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer. Die heeft een bindende uitspraak gedaan dat een vervoersbedrijf een pasfoto enkel mag gebruiken voor het aanmaken van een abonnementskaart. Deze bindende uitspraak bepaalt dat bedrijven die daarna de pasfoto en de digitale opslag daarvan in hun administratie willen bewaren hier vooraf uitdrukkelijk toestemming van de klant voor moeten hebben gekregen. Uitspraak

Deze uitspraak heeft tot gevolg gehad dat de NS met de aanmaak van nieuwe aanvraagformulieren de tekst iets heeft aangepast, maar deze nog steeds niet voldoet aan de normen van fatsoenlijk handelsverkeer en de Wet Bescherming Persoonsgegevens.

In plaats van toestemming te vragen moeten klanten nog steeds zelf actief eisen dat hun pasfoto verwijderd wordt na aanmaak van een kaart. Alle pasfoto’s die zonder ‘bewaartoestemming’in het verleden werden verstrekt zijn niet verwijderd. Ook is achteraf geen toestemming voor opslaggevraagd en ze worden enkel verwijderd als klanten dat op eigen initiatief schriftelijk eisen.

brief pasfoto verwijderingsprocedure & chipcontrolebezwaar OV

Toepassing van pasfoto’s

Het bezwaar van de vastlegging van de pasfoto’s zit hem in de technische mogelijkheden.

Niet langer zijn pasfoto’s uitsluitend te gebruiken om bij het tonen van een abonnement bij controle te kunnen vaststellen of de foto op kaart overeenkomt met die van de klant. Pasfoto’s zijn tegenwoordig geschikt om de gezichtsscan van iemand vast te leggen. Dat betekent dat er een digitale opslag wordt vastgelegd van iemands gezichtspunten. Deze opnamen kunnen vervolgens gebruikt worden om te koppelen aan gezichtsherkennende camerasystemen. Camera’s in treinen, bussen en trams en alle camera’s op perrons en stations kunnen gekoppeld zo gekoppeld worden aan software die gezichtsherkenning mogelijk maakt. Men kan bij een klant met persoonsgebonden kaart de rest van diens gegevens inzichtelijk maken. De computer kan opdracht krijgen om het gezicht vast te leggen van iedereen waarvan zich geen gezichtscan in de administratie bevind. Het is ook mogelijk om gericht te spotten op bepaalde mensen of mensen met bepaalde kenmerken, waardoor ook andere schendingen van de privacy in beeld komen. Aangezien bij alle poortjes van het OV-chipkaartsysteem camera’s hangen en iedereen die van het OV gebruik maakt gedwongen zal worden bij deze poorten in- en uit te checken, ontkomt niemand aan gezichtsregistratie.

Ook iedereen die gebruik maakt van een apparaat om het saldo of reisproduct op te laden wordt geregistreerd.

In de praktijk is inmiddels gebleken dat Justitie dolgraag van deze mogelijkheid gebruik wil maken.

In juni 2008 vorderde het Openbaar Ministerie (OM) van Trans Link Systems (TLS) de namen, adressen, woonplaats en pasfoto’s van alle reizigers die met een persoonsgebonden OV-chipkaart op een bepaald tijdstip op bepaalde metrostations in Rotterdam waren geweest. Het bedrijf weigerde maar was gedwongen de informatie toch te leveren en is vervolgens naar de rechter gestapt. De rechter bepaalde, op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens dat de afbeeldingen van de gezichten aan Trans Link Systems moesten worden teruggeven en niet gebruikt mochten worden in het stafrechtelijk onderzoek. Het OM is tegen dit vonnis in beroep gegaan en de zaak ligt nu bij de Hoge Raad. Aldus het bericht 31-8-2009 op nu.nl Daarmee is, nog voor de OVchipkaart andere betaalmiddelen om gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer heeft verdrongen, duidelijk dat dit systeem ook voor hele andere doeleinden kan worden ingezet. Als verlengstuk van Justitie dus bijvoorbeeld, waar men tot voor kort niet had kunnen dromen ooit de beschikking te krijgen over 7 jaar lang bewaarde reisbewegingen van miljoenen inwoners van ons land die gekoppeld zijn aan hun personalia en gezichtsopname.

Zoals symptomatisch voor de bezwaren tegen het OV-chipkaartsysteem werd er geen ruchtbaarheid aan deze zaak gegeven. Per (on)geluk werd het bij BigWobber bekend, als onvoorziene bijvangst bij een Wob-procedure bij een bestuursorgaan. Trans Link Systems zegt in een reactie de privacy van klanten belangrijk genoeg te vinden om naar de rechter te stappen. "Wij hebben in onze systemen en organisatie een veelheid aan maatregelen getroffen om de privacy van klantgegevens te waarborgen’, aldus financieel directeur Gerben Nelemans.Dat klanten geen toestemming is gevraagd om hun pasfoto op te slaan wordt niet over gerept.

Reisgedrag en RFID chip

In de OV-chipkaart bevind zich een Radio Frequentie Identificatie chip.

De Mifare chip die hiervoor gebruikt wordt gaat de gegevens van de kaart uitzenden zodra deze bij een zogenaamd chipuitleesapparaat wordt gehouden.

Zo kunnen de incheck toegangspoortjes ‘lezen’ of er genoeg saldo of reisproduct op de kaart staat om het poortje te laten open gaan. Bij het uitchecken wordt precies berekent hoeveel men voor de reis dient te betalen zodat het kan worden afgeschreven of kan worden aangegeven dat u het station of perron pas mag verlaten als u eerst uw kaart heeft opgeladen.

Om dit te berekenen is het nodig exact vast te leggen hoe laat men waar heeft ingecheckt en hoe laat men uitcheckt. Daardoor wordt geregistreerd wie op welk moment waar is geweest.

Door vast te leggen hoe laat u ‘s ochtends bent ingestapt, waar u overstapte en wanneer u terugreisde of waar u heen ging wordt echter niet alleen uitgerekend hoeveel u voor uw vervoer dient te betalen, maar wordt uw gedrag vastgelegd.

Omdat deze gegevens bewaard worden is er veel uit af te leiden over uw leefgewoonten en kan hier een gedragsprofiel uit worden opgemaakt.

Omdat deze gegevens 7 jaar bewaard worden is het mogelijk dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten of justitie u nog jaren na dato ter verantwoording kunnen roepen over wat u op een bepaald moment waar deed. Waarom u op hetzelfde traject reisde als iemand anders. Of waarom u dan en dan zich afwijkend gedroeg van uw vaste reispatroon.

Dit staat in geen verhouding tot het feit dat men wil dat er voor het vervoer betaald wordt en voldoet derhalve niet aan het doelbindingsprincipe en proportionaliteitsbeginsel. Omdat een dergelijk grote inbreuk op uw privacy volgens de bepalingen van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens(EVRM) enkel geoorloofd zijn als deze inbreuk noodzakelijk is voor het algemeen belang en als het doel niet op een andere wijze kan worden bereikt, druist het OV-chipkaartsysteem in tegen het EVRM.

Uw fundamentele grondrechten worden dus op onacceptabele wijze ingeperkt.

Betaalmethode

Wie zijn OV-chipkaart oplaadt via zijn banktegoed dient zich te realiseren dat hiermee derden toegang kunnen krijgen tot uw bankgegevens.

In eerste instantie het vervoersbedrijf, mensen die daar werken en technici die de systemen laten functioneren. Wederom zijn het veiligheids- en inlichtingendiensten en justitie die toegang tot deze gegevens kunnen opeisen. Sinds 1 december 2009 heeft ook justitie in de VS de mogelijkheid om voor onderzoek toegang tot al uw banktransacties te eisen.

Maar aangezien de chip al in december 2008 werd gekraakt is bekend geworden dat een crimineel die vlak achter u het OV instapt niet alleen de gegevens van uw kaart kan uitlezen, maar dat deze die gegevens ook kan kopiëren en gebruiken voor het maken van valse kaarten EN dat er in een moeite geld van uw bankrekening op een gekloonde ander kaart kan worden overgeschreven.

Naast alle financiële schade die u hierdoor kunt oplopen wordt zo ook een foute registratie vastgelegd van uw betaal en reissysteem. Mocht u vervolgens op grond van dit soort foutieve gegevens u later dienen te verantwoorden tegenover justitie dan staat u vrijwel machteloos.

Allereerst omdat computerregistratie als hard bewijs wordt gezien, al valt dat makkelijk te manipuleren en bovendien omdat u zelf maar moet zien recht te zetten wat er fout is gegaan om van schadevergoeding nog maar te zwijgen.

Chipuitlezen in de trein

In de zomer van 2009 gingen controleurs van de NS ertoe over om bij controle van abonnementskaarten te eisen dat deze door een chipuitlees apparaat zouden moeten worden gecontroleerd.

Door deze methode wordt gecontroleerd of u wel heeft betaald voor uw abonnementskaart. De geldigheidsdatum die op de kaart staat die u moet tonen is namelijk onjuist en heeft volgens NS enkel betrekking op de plastic verpakking. (sic moet de slager eens proberen)

Door de kaart te laten uitlezen wordt er contact gelegd met de administratie en wordt automatisch geregistreerd waar, door wie en hoe laat u werd gecontroleerd.

Daarmee wordt het vastleggen van uw reisgedrag nog verfijnder dan bij uitsluitend in-en uitstappen terwijl de NS niks nodig heeft met hoe laat u reist zolang u netjes betaald.

Op 6 december schreef

Een treinconducteur was zo vriendelijk om op zijn display te tonen wat hij zag na een simpele handeling met mijn chipkaart (vroeger bedoeld als kaartjescontroleur): naast de abonnementsgegevens, geldigheidsduur van de kaart, geboortedatum etc, zag hij ook in welke bussen, in welke steden, en op welke tijd ik die dag gereisd had. Ik ben nog vergeten te vragen of hij bij doorklikken ook kon kijken naar de vorige dagen.

Er is dus geen privacy meer.

Mensen die zich hiertegen verzetten zijn aangeklaagd bij justitie omdat zij zonder geldig vervoersbewijs zouden reizen en hebben inmiddels het incassobureau op hun nek gekregen.

Wie teveel protesteert loopt overigens buiten de bon voor het zogenaamd zwartrijden ook het risico bekeuringen te krijgen op grond van de wet op de Uitgebreide ID-plicht, voor niet voldoen aan een dienstbevel en zelfs om gearresteerd worden.

Alternatieven om dan maar de conducteur te laten op te bellen naar de administratie of er betaald is of met aantonen van een bankafschrift of brief van NS ter bevestiging van betaling zijn mogelijk, maar het hangt dan de individuele controleur af of deze bereid is hieraan medewerking te verlenen.

Op klachten en bezwaren wordt niet gereageerd door het bestuur van NS.

Een bestuur wat men overigens niet rechtreeks kan aanschrijven omdat alle correspondentie aan de Klantenservice gericht dient te worden en deze instantie de bevoegdheid heeft om zelf te bepalen of men post voor de directie daadwerkelijk de directie ter hand stelt.

Voor voorbeeldbezwaarbrief zie ook:

 

Gepubliceerd in Dossier OV
vrijdag, 20 november 2009 04:26

Dossier Kilometerheffing

Dossier automobiele kilometer-spionage

permanente controleNa jaren gesteggel over een ander betaalsysteem voor het autoverkeer, en maatregelen tegen het dichtslibben der wegen heeft het kabinet minister Eurlings (CDA)bereid gevonden om een nieuw kilometerheffingsplan te lanceren.

Geheel in de lijn waarop de kabinetten Balkenende gewend zijn wet -en regelgeving in te voeren betreft het wetgeving waarbij voorbij wordt gegaan aan het recht op persoonlijke vrijheid.

Net als bij het OV-chipkaartsysteem, voor het openbaar vervoer, is het doel van de kilometerheffing om een nieuw betaalsysteem in te voeren. Dat het files zou helpen oplossen wordt als reclame ingezet en neemt vast een voorschot op hoe men de km heffing, zodra deze is ingevoerd, kan inzetten om het persoonlijke gedrag van de automobilisten te monitoren.

Zo’n nieuw betaalsysteem kan echter alleen functioneren als elektronisch wordt vastgelegd wie zich wanneer van waar naar waar verplaatst. Dat grijpt uiteraard heel ver in in de persoonlijke levens van mensen en druist in tegen het recht van iedere onschuldige burger om onbespied door het leven te mogen gaan.

Het systeem gaat alle verplaatsingen van auto's exact registreren middels het Global Positioning Systeem. Het GPS dat - net als de registratie van waar mobiele telefoons zich bevinden- via een km-kasje of chip in de auto tot op de km doorgeeft waar het kenteken van het bijbehorende voertuig zich bevindt.

Daarmee wordt van iedereen die zich per auto verplaatst in feite zijn gedrag vastgelegd.

Dossier kilometer-spionageAllereerst wordt feitelijk geregistreerd waar een burger zich op enig moment bevind, maar een simpele analyse van deze gegevenslevert al een tamelijk nauwkeurig beeld op waarmee men uw gedrag in kaart kan brengen. Zo worden gegevens en patronen vastgelegd waaruit bijvoorbeeld blijkt dat u gemiddeld zoveel km per dag/week of maand rijdt, dat u kennelijk een ochtend of avondmens bent, dat u zich doorgaans via de snelweg van A naar B verplaatst of juist veelvuldig gebruik maakt van provinciale wegen. Uit de gegevens komt naar voren of u vaste werktijden heeft , 's ochtends vanaf uw eigen adres vertrekt, kinderen per auto naar school brengt, welke plekken u regelmatig bezoekt, vult u zelf maar in........

De koppeling van deze gegevens met andere databestanden maakt het mogelijk een gedetailleerd gedragsprofiel van u samen te stellen ( u bent een ochtendmens, u bezoekt frequent bepaalde plaatsen, u rijdt na uw werk al dan niet rechtstreeks naar huis, u rijdt in verhouding tot uw inkomen wel erg veel kilometers, u komt op vaste tijden bij sportvelden waar u ofwel zelf iets te doen heeft of enkel mensen afzet of ophaalt, u doet boodschappen met de auto en neemt daar al dan niet ruim de tijd voor,enz.

Met enige fantasie kan iedereen verzinnen hoe interessant deze gegevens kunnen zijn voor bedrijven die u graag gepaste reklame aanbieden, voor criminelen die gegevens van uw gedrag te gelde kunnen maken, voor journalisten die graag over privé gegevens willen beschikken, voor de overheid om beleid op te maken en voor justitie om alvast van iedereen zoveel mogelijk gegevens vast te leggen voor het geval ze deze ooit kunnen gebruiken voor opsporingsdoeleinden.

Dit druist in tegen de fundamentele grondrechten van de burger. Het is namelijk bij wet (WBP,EVRM) verboden dat er inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer, tenzij dit uit hoofde van het algemeen belang onontkoombaar is en vooraf diepgaand is onderzocht of het doel wat men beoogt te bereiken niet op een andere wijze kan worden bereikt.

Uiteraard heeft de overheid er niks mee nodig om te weten of kinderen op woensdagmiddag naar hockey of voetballen gaan, of  iemand al dan niet een huismus is, waar iemand zijn geld aan uitgeeft, met hij omgaat, welke plekken iemand bezoekt, hoe vaak men op vakantie gaat, enz.

Dat men dit wil gaan vastleggen, uitsluitend om de rekening te kunnen presenteren voor het gebruik van het wegennet, is onacceptabel uit oogpunt van privacy. Dit kan de toets van het doelbindingsprincipe en proportionaliteitsbeginsel niet doorstaan.

Ook uit veiligheidsoverwegingen is het niet te tolereren. Het bekend worden van uw gedrag en gedragspatroon is namelijk niet enkel ouderwets handig voor kwaadwillenden die kunnen zien of u al dan niet thuis bent, het geeft ongekende mogelijkheden om u de dupe te laten worden van chantage, van onterechte verdachtmakingen, van identiteitsverwisseling of zelfs diefstal van uw identiteit.

Definitie:

wired carPrivacy ('privaatsfeer') is een afweerrecht dat de persoonlijke levenssfeer beschermt. Het recht op privacy wordt ook wel omschreven als het recht om met rust te worden gelaten (The right to be left alone volgens de definitie van Warren & Brandeis, die de eerste juridisch getinte definitie van privacy gaven). Privacy is een ruim begrip: het gaat onder meer om de bescherming van persoonsgegevens, de bescherming van het eigen lichaam en van de eigen woning, de bescherming van familie- en gezinsleven, en het recht vertrouwelijk te communiceren via, brief, telefoon, e-mail en dergelijke. Privacy betekent dat men dingen kan doen zonder dat de buitenwereld daar inbreuk op maakt of zelfs weet van heeft. Een van de definities van totalitarisme is dat de scheiding tussen de privésfeer en het publieke leven vervaagt.

Toch heeft het kabinet vrijdag 13 november 2009 ingestemd met het wetsvoorstel om het gedrag van alle mensen die zich per auto door ons land verplaatsen via GPS minutieus te gaan registreren.

Wil het plan daadwerkelijk worden ingevoerd dan moet eerst de Tweede Kamer en vervolgens de Eerste Kamer daar goedkeuring aan verlenen.

Men zou mogen veronderstellen dat de volksvertegenwoordigers in het parlement hun taak om toezicht te houden op het kabinet zó zouden opvatten dat bij elk wetsvoorstel voorop hoort te staan dat het de fundamentele rechten en de veiligheid van de burgers niet aantast. De ervaring leert echter dat men zich daar, bij de besluitvorming de afgelopen jaren, nauwelijks iets aan gelegen laat liggen.

Ondanks dat de allereerste opdracht van de overheid is om te waken over de veiligheid van de bevolking blijkt men keer op keer genoegen te nemen met holle beloften van gezagshebbers dat men nieuwe systemen zo goed mogelijk zal beveiligen in plaats van dat de voorstellen worden afgewezen omdat de systemen domweg technisch niet afdoende te beveiligen zijn.

Dat wetgeving niet strookt met de Nederlandse Grondwet vormt voor het parlement tegenwoordig kennelijk geen belemmering. De rechtspositie van de burger om zich hier tegen te kunnen verweren is bovendien minimaal:

Omdat rechters in Nederland, als enige in Europa, wetgeving niet mogen toetsen aan de Grondwet.

Omdat strijdigheid met het (EVRM) wordt betwist met de redenering, waarvan zelfs de voorzitter van het College Bescherming Persoonsgegevens zich bedient, dat het EVRM multi-interpretabel zou zijn en mensen die zich op dit verdrag beroepen in elk geval jaren geduld moeten hebben voordat zij door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gehoord kunnen worden.

Strijdigheid met het VN Verdrag voor Burgerlijke en Politieke rechten (BUPO) hooguit internationaal gezichtsverlies kan opleveren voor de regering maar geen bindende uitspraken kan opleveren om nationale wetgeving te overrulen.

Er zit dus niks anders op dan dat de burger, die in feite vertegenwoordigd zou horen te worden door kabinet en parlement, zijn tijd en energie moet steken in het corrigeren van de mensen die voor hun belangen op dienen te komen.

Doet men dit niet dan loopt men het risico dat deze volksvertegenwoordigers voor de zoveelste keer wetgeving gaan goedkeuren waarbij de fundamentele burgerrechten op persoonlijke vrijheid en bescherming van de veiligheid met voeten worden getreden. En de burger die zich hiertegen verzet als crimineel achter de tralies beland.

HOOFDSTUK 7. HANDHAVING EN STRAFBEPALINGEN

Artikel 7.1

1. Belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn:

a. de daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen personen;

b. de daartoe door Onze Minister aangewezen personen en;

c. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering

aangewezen ambtenaren.

2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bevat een aanduiding van de voorschriften op naleving waarvan toezicht wordt gehouden.

3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 7.2

Onze Minister en de Dienst Wegverkeer beschikken over de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens de artikelen 4.5, eerste lid, 4.8, eerste lid, 4.9, eerste en tweede lid, 4.12, eerste lid, 4.16, vierde lid, van deze wet gestelde verplichtingen.

Artikel 7.3

1. Met de opsporing van de in artikel 7.5 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de bij besluit van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister, aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

3. In het kader van de opsporing is artikel 160, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.4

1. Degene die niet voldoet aan de verplichting, hem opgelegd bij of krachtens de artikelen 1.3, 1.4, 1.5, eerste lid, 3.6, eerste lid dan wel eerste en tweede lid, 4.5, eerste of zesde lid, 4.8, 4.9, eerste lid, 4.16, tweede of vierde lid, 4.18, 5.11, derde lid, of 7.6, derde lid, in samenhang met artikel 5.11, derde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft degene die:

a. bij het doen van een melding als bedoeld in artikel 1.3, 1.4 of 1.5, eerste lid, onjuiste gegevens verstrekt;

b. handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1.6, 4.14, 4.17, derde lid, 4.21, eerste lid, 4.22, 4.23, vierde lid, 4.27, negende lid, dan wel met het bepaalde in artikel 4.16, derde lid.

3. De strafbare feiten, genoemd in het eerste en tweede lid, zijn overtredingen.

Artikel 7.5

1. Degene die opzettelijk handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1.6, 4.14, 4.17, derde lid, 4.21, eerste lid, 4.23, vierde lid, 4.27, negende lid, dan wel met het bepaalde in artikel 4.16, derde lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Degene die opzettelijk handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 4.22, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. De strafbare feiten, genoemd in het eerste en tweede lid, zijn misdrijven.

Artikel 7.6

1. Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 574, 575 en 576 van het Wetboek van Strafvordering heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie het rijbewijs innemen van degene aan wie de geldboete is opgelegd.

2. De inneming van het rijbewijs wordt beëindigd zodra het bedrag van de geldboete en de daarop gevallen verhogingen in de zin van artikel 24b van het wetboek van Strafrecht zijn voldaan. De inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken.

3. Artikel 5.11, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.7

1. In een geval als bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, kan de officier van justitie voorts het motorrijtuig met betrekking tot hetwelk het strafbare feit is begaan of, indien dit motorrijtuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de geldboete is opgelegd vermag te beschikken, buiten gebruik stellen.

2. De artikelen 5.12, derde tot en met zesde lid, en 7.6, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.4

1. Degene die niet voldoet aan de verplichting, hem opgelegd bij of krachtens de artikelen 1.3, 1.4, 1.5, eerste lid, 3.6, eerste lid dan wel eerste en tweede lid, 4.5, eerste of zesde lid, 4.8, 4.9, eerste lid, 4.16, tweede of vierde lid, 4.18, 5.11, derde lid, of 7.6, derde lid, in samenhang met artikel 5.11, derde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft degene die:

a. bij het doen van een melding als bedoeld in artikel 1.3, 1.4 of 1.5, eerste lid, onjuiste gegevens verstrekt;

b. handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1.6, 4.14, 4.17, derde lid, 4.21, eerste lid, 4.22, 4.23, vierde lid, 4.27, negende lid, dan wel met het bepaalde in artikel 4.16, derde lid.

3. De strafbare feiten, genoemd in het eerste en tweede lid, zijn overtredingen.

Artikel 7.5

1. Degene die opzettelijk handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1.6, 4.14, 4.17, derde lid, 4.21, eerste lid, 4.23, vierde lid, 4.27, negende lid, dan wel met het bepaalde in artikel 4.16, derde lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Degene die opzettelijk handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 4.22, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. De strafbare feiten, genoemd in het eerste en tweede lid, zijn misdrijven.

Artikel 7.6

1. Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 574, 575 en 576 van het Wetboek van Strafvordering heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie het rijbewijs innemen van degene aan wie de geldboete is opgelegd.

2. De inneming van het rijbewijs wordt beëindigd zodra het bedrag van de geldboete en de daarop gevallen verhogingen in de zin van artikel 24b van het wetboek van Strafrecht zijn voldaan. De inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken.

3. Artikel 5.11, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.7

1. In een geval als bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, kan de officier van justitie voorts het motorrijtuig met betrekking tot hetwelk het strafbare feit is begaan of, indien dit motorrijtuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de geldboete is opgelegd vermag te beschikken, buiten gebruik stellen.

2. De artikelen 5.12, derde tot en met zesde lid, en 7.6, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

NB Een boete in de 'vijfde categorie' betekent 67.000 euro

 

Gepubliceerd in Dossier Kilometerheffing
maandag, 28 september 2009 16:10

Wachten op de kraak

Artikel van Corien Prins op het blog van het Nederlands Juristen Blad njblog.nl

Ze hebben er vast hun gedachten over laten gaan. De wetenschappers van de universiteit Nijmegen die vorig jaar de beveiliging van de OV-chipkaart kraakten. Met die actie brachten ze de verantwoordelijk minister ernstig in verlegenheid en dwongen ze via de band van de politiek een onderzoek naar de beveiliging van het systeem af. Valt ook de chip op ons paspoort te kraken? Het paspoort en de identiteitskaart bevatten al langer een chip waarop gegevens over de houder van het document zijn opgeslagen. Maar vanaf afgelopen maandag is daar een aantrekkelijke set aan toegevoegd: de unieke kenmerken van onze beide wijsvingers. Gegevens over lichaamskenmerken dus.

Lees het volledige artikel: njblog.nl

 

Gepubliceerd in Dossier Vingerafdrukken

Van SoFi naar BSN

In oktober 2005 werd het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer (Pechtold D’66) om het gebruik van het sofinummer uit te breiden tot een uniek identificerend persoonsnummer voor alle burgers en niet-ingezetenen, het Burger Service Nummer(BSN).

In het voortraject van het wetsvoorstel werd zo min mogelijk ruchtbaarheid gegeven aan het feit dat, na de oorlog, nu iedere burger ter identificatie weer een persoonsnummer zou krijgen. Dat zou maar onrust kunnen veroorzaken.

Systematisch werd gesproken van vernieuwing en omzetting van het oude sofinummer en, jaren voordat de wet werd aangenomen, werd er in opdracht van diverse ministeries op formulieren van belastingdienst , UWV, pensioenfondsen en overheidsbrochures, gesuggereerd dat het BSN de nieuwe naam werd voor het oude SoFi-nummer en dat de beslissing over de invoering al een feit was.

Met de omzetting naar het BSN kreeg het SoFi nummer echter een geheel andere inhoud en toepassing, en bleef alleen de cijfercombinatie gelijk.

Dat maakte het mogelijk om geen nieuwe nummers te hoeven uitgeven, maar alle sofinummers van mensen die ingeschreven stonden bij de Gemeentelijke Basis Administraties (GAB) automatisch van de Belastingdienst over te hevelen naar het bevolkingsregister en als BSN in de bevolkingsadministratie in te voeren. Alleen wie niet is ingeschreven bij het bevolkingsregister maar wel belasting moet betalen in ons land kan nu nog een SoFi-nummer krijgen, maar ook daarvan is de bedoeling dat de uitgebreide identificatiegegevens van betrokkenen worden opgeslagen in het nog in te voeren Register van Niet Ingezetenen (RNI)

De invoering van het BSN betekende dat voortaan met dit persoonsnummer alle gegevens uit het bevolkingsregister worden ontsloten en het toegang verschaft tot alle gegevens van de burger waar de overheid in welke sector dan ook over beschikt, terwijl het sofinummer uitsluitend was bedoeld voor de sociaal-fiscale informatiehuishouding van de overheid.

Wat is het BSN?

Het BSN is een uniek identificerend persoonsnummer.

Iedereen die ingeschreven staat in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GAB) krijgt zo’n nummer toegekend.

Wetgeving is geregeld via de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb), houdende algemene bepalingen betreffende de toekenning, het beheer en het gebruik van het BSN.

De voltallige Tweede Kamer stemde met het wetsvoorstel in en het werd door de Eerste Kamer aangenomen met alleen tegenstemmen van de VVD, GroenLinks en PvdD.

Het BSN was, volgens het wetsvoorstel uit 2007, uitsluitend bedoeld voor contact tussen de overheid en de burger als dat betrekking had op de publiek rechtelijke taak van de overheid.

Die restrictie, publiek rechtelijk is er, nog voor de invoering, vanaf gehaald waardoor het gebruik van het nummer door de overheid veel ruimer werd. Wel bleef in het wetsvoorstel overeind dat alleen alle overheid- en semi-overheidsorganen van het BSN gebruik mogen maken en anderen enkel als dit op wettelijk voorschrift is.

Dit zeer tegen de wens in van de toenmalige minister van financiën (Zalm) die in november 2005 de Kamer liet weten dat hij vond dat ook banken en financiële instellingen gebruik van het nummer zouden moeten kunnen gaan maken en tegen de zin van VNO-NCW de grootste ondernemingsorganisatie van Nederland die gebruik van het nummer door het bedrijfsleven bepleitten omdat dit handig zou zijn om bijvoorbeeld adressen van wanbetalers te kunnen achterhalen.

Wie gebruikt het BSN?

Alle overheidsorganen maken gebruik van het BSN. Daarnaast kunnen ook anderen bij wet verplicht worden om het BSN te gebruiken. Werkgevers moeten bijvoorbeeld het BSN gebruiken voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst. Op de site van het ministerie van Binnenlandse zaken staat de lijst van organisaties die het BSN gebruiken.

Doel BSN

Het nummer is de spil in het systeem van de overheid om de gegevens van de burger te stroomlijnen èn elektronisch te kunnen uitwisselen. Het maakt deel uit van het kabinetsbeleid om te komen tot een elektronische overheid.

Uiteindelijk wil de regering dat alle persoonsgegevens van de burger worden ondergebracht in één centrale database. In een 24 uurs on-line te raadplegen bevolkingsregister waarbij iedere burger kan worden geïdentificeerd aan de hand van een geldig identiteitsbewijs of via de meetbare lichaamskenmerken die van de persoon zijn vastgelegd in de administratie van de reisdocumenten.

Dit bevolkingsregister gaat functioneren als netwerk wat elektronische toegang en uitwisseling mogelijk maakt van alle gegevens over de burger waar de overheid over beschikt

Het uitwisselen van gegevens tussen de verschillende overheids en semi-overheids instanties wordt geregeld met ‘virtuele schotten’ waardoor alleen personen of instanties inzage zouden kunnen krijgen in de gegevens waar zij specifiek toe bevoegde zijn. Het uitwisselen van gegevens tussen de overheid en de burger gebeurt in combinatie met het DigiD.

Bezwaren tegen het BSN

Het systeem ontneemt mensen de regie over hun leven omdat zij geen notie meer hebben van wat er over hen overal is opgeslagen, wie daarover beschikt, wat er met die gegevens gebeurd, of de gegevens wel correct zijn en bijvoorbeeld welke conclusies eruit worden getrokken.

De beveiliging van massale digitaal opgeslagen gegevens van iedere burger is niet voldoende te beveiligen tegen het gebruik van gegevens door onbevoegden. Dat alle gegevens gekoppeld zijn aan één uniek persoonsnummer, maakt het systeem extra kwetsbaar. Technisch is het een peulenschil om gegevens aan elkaar te koppelen dus maakt dat ongeoorloofde informatieverzameling wel erg gemakkelijk. Het College Bescherming persoonsgegevens( CBP) verwacht dat alle overheidsdomeinen/ sectoren via het BSN over allerlei - niet tot hun werkgebied behorende persoonlijke gegevens kunnen gaan beschikken. Daarnaast is het hacken van de gegevensopslag niet uit te sluiten en zal identiteitsfraude erdoor toenemen.

Hoogleraar computerbeveiliging Bart Jacobs waarschuwde op 30-1-2006 dat de hele informatiehuishouding van de overheid ophangen aan één persoonsnummer de domst denkbare oplossing is voor ‘identity management’ en dat een sectorale aanpak, waarin burgers in verschillende domeinen verschillende nummers en identiteiten konden gebruiken, veel veiliger is. Het BSN is vooral nuttig voor de overheid, terwijl met risico's voor de burger onvoldoende rekening wordt gehouden. Foute registratie van gegevens in computerbestanden hebben de neiging om zich in rap tempo te vermenigvuldigen terwijl er onvoldoende maatregelen zijn genomen waarmee burgers fouten kunnen corrigeren. De bevoegdheden zijn niet goed vastgelegd in de wet. Wie zich benadeeld voelt door foute registratie of toepassing van het BSN moest zelf maar uitzoeken waar de fout ontstond, proberen deze te laten herstellen en wie benadeeld is door foute registratie of toepassing van zijn persoonsgegevens kan zich niet beroepen op een deugdelijke klachtenregeling of schadeloosstelling.

BSN in de zorg

Via de aanvullende Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg (Wbsn-z) is vastgelegd dat vanaf 1 juni 2009 alle zorgaanbieders, bij hun contacten onderling en naar de zorgverzekeraars, altijd verplicht zijn het BSN te vermelden.

Hiertoe werd via de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of (BIG) geregeld dat patiënten zich óók met een geldig ID-bewijs moeten kunnen legitimeren bij de huisarts, fysiotherapeut, verpleeghuis, tandarts, verloskundige, gezondheidspsycholoog, verpleegkundige en apotheek.

Overheid en de zorg

Met de invoering van het gebruik van het BSN in de zorg krijgt de overheid een steeds grotere greep op de gezondheidszorg. Dit beleid werd ingezet met de invoering van de verplichte ziektekostenverzekering op 1 januari 2006.

Als aanzet regelde de overheid toen in de Zorgverzekeringswet dat alle ziekenhuizen en poliklinieken verplicht waren om hun patiënten/cliënten eerst te identificeren - aan de hand van een geldig paspoort/IDkaart, rijbewijs of Nederlands vreemdelingendocument - alvorens hen hulp te mogen verlenen.

Inmiddels is de verplichting iets verruimd en hebben patiënten die zich niet vooraf kunnen laten identificeren, uiterlijk 14 dagen respijt gekregen om achteraf een geldig ID-bewijs te komen laten zien. Wie niet binnen die termijn aan de identificatieplicht voldoet moet de rekening van de behandeling zelf betalen, ook al is men voor de kosten verzekerd. Ook loopt men dan het risico dat het ziekenhuis, behalve voor noodgevallen, weigert om de patiënt verder te behandelen.

Dat betekent dat dit mensen boven het hoofd hangt die geen geldig ID-bewijs kunnen tonen omdat men het, uit veiligheidsoverwegingen, onacceptabel vind, om een op afstand uitleesbaar gechipt paspoort/ID kaart aan te vragen. Of omdat men op principiële gronden en/of veiligheidsoverweging weigert zijn meetbare lichaamskenmerken ter beschikking te stellen voor het aanmaken van een ID-bewijs en/of opslag van zijn gezichtsscan en vingerafdrukken in één centrale overheidsdatabase.

Wie zich daarbij beroept op zijn fundamentele grondrechten op persoonlijke vrijheid, lichamelijke integriteit en bescherming van zijn veiligheid door de overheid, wordt uitgesloten van reguliere zorg.

Ook als hij braaf de door de overheid verplichte ziektekostenverzekering betaald.

Deze identificatieplicht zou officieel dienen om misbruik van verzekeringspassen te vóórkomen, maar is feitelijk een methode om van hogerhand grip te krijgen op de inhoud van de gezondheidszorg. Grip zowel op de individuele behandelingen van zorgverleners aan hun patiënten, als grip op gegevens over het gedrag van de burger.

Onder het motto dat de kosten van de gezondheidszorg beter in de hand moeten worden gehouden gaat de overheid op de stoel van de zorgverlener zitten en tast men het beroepsgeheim van de arts en de privacy van patiënt aan, om patiëntgegevens te gebruiken voor automatisering van de zorg.

Exit Hippocrates zo schreef de Groene Amsterdammer hierover:’iedereen wordt van de wieg tot het graf in een (overheids)databank geregistreerd en gemonitord. De burger wordt steeds meer een wandelend datapakket met de bewegingsvrijheid van het beveiligingspoortje’.

De ID-plicht bij ziekenhuizen en poliklinieken was de aanzet om het gebruik van het BSN in de zorg verplicht te stellen.

Het verplichte gebruik van een eenduidig vastgelegd persoonsnummer is een voorwaarde om het landelijke netwerk (EPD) te kunnen opzetten en de zorgverlening verder te automatiseren. Volgens een woordvoerder van Binnenlandse Zaken heeft ‘de Zorg’ er zelf voor gekozen om geen apart persoonsnummer in te voeren, wat uitsluitend in de zorgsector gebruikt zou worden, en is daardoor het verplicht gebruik van het BSN in de zorg onvermijdelijk geworden.

De mens gereduceerd tot gezondheidsproduct

Met de deelname van de huisartsen aan het EPD systeem worden artsen verplicht om zich aan te sluiten op een systeem waarbij de diagnose en wijze van behandeling volgens standaard eisen digitaal moeten worden genoteerd.

Behandelingen door medische specialisten moeten tegenwoordig verplicht worden vastgelegd in codes. De combinatie van een diagnose en/of een behandeling noemt men de Diagnose Behandel Combinatie of DBC. Elke combinatie van een diagnose en/of een behandeling heeft een unieke DBC-code en elke DBC heeft een eigen tarief. Alleen als de specialist volgens dit opgelegd stamien deklaraties indient kunnen deze voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking te komen.

Sinds januari 2008 geldt het verplicht gedetailleerd elektronische vastleggen van gegevens betreffende de patiënt, diens diagnose en diens behandeling ook voor zelfstandig gevestigde psychiaters en psychotherapeuten.

Bij de specialisten is vooral weerstand tegen de maatregel te bespeuren omdat het administratieve rompslomp met zich meebrengt en veroorzaakt dat behandelingen op de vergoedingseisen worden toegesneden. In de geestelijke gezondheidszorg ontstond meer reuring.

Uiteraard omdat de opgelegde DCB codes geen therapeutische waarde hebben en totaal ongeschikt zijn als systeem om adequate geestelijke hulpverlening in te kunnen vangen. Daar komt nog bij dat de overheid eist dat de vrij gevestigde psychiaters van al hun patiënten diagnose-behandelplannen opstellen en deze voorzien van de naam van de patiënt digitaal aan te leveren, bij zowel de zorgverzekeraars, als bij het DBC-Informatie-Systeem (DIS). Ook als patiënten aangeven de kosten zelf te betalen en grote bezwaren hebben tegen de opslag van hun gegevens door DIS, het verzamelpunt dat de gegevens weer beschikbaar stelt aan het Departement, Verzekeraars (tbv. schadestatistieken), de Nederlandse Zorg Autoriteit (Nza), onderzoekcentra en zo meer. Daarmee breekt de overheid in op het beroepsgeheim van de artsen dat patiënten in de vertrouwelijkheid van de spreekkamer, zaken kunnen bespreken die niet aan anderen bekend worden gemaakt, laat staan dat ze worden geregistreerd in centrale overheiddatabanken. Toch beschouwt de NZa zorgverleners die weigeren mee te werken aan deze verplichting als criminelen die wegens wetsovertreding dienen te worden aangegeven bij het Openbaar Ministerie.

Het registratiesysteem waarbij diagnose en behandeling van patiënten in codes en volgens categorieën dient te worden vastgelegd, reduceert mensen tot een verzameling gegevens. Patiënten worden op zo’n manier omgevormd tot gezondheidsproducten. Omdat ook de kwalen en aandoeningen moeten worden vermeld in gestandaardiseerde categorieën bepalen niet langer de arts en patiënt wat er aan de hand is en hoe men, afhankelijk van persoonlijke omstandigheden, het beste geholpen kan worden. De regie van de hulpverlening komt in handen van de zorgverzekeraars en de overheid. Zij bepalen hoe behandelingen worden gestandaardiseerd, welke behandelingen worden gedekt en onder welke categorieën/codes een ziekte of kwaal kan worden ingedeeld, hoe veel behandeltijd daar voor mag worden uitgetrokken en welk type medicatie daarvoor mag worden voorgeschreven.

Het wordt zo zelfs uitvoerbaar om regelgeving te maken voor bepaalde categorieën patiënten. Bijvoorbeeld door op leeftijd of (on)gezond gedrag onderscheid te maken bij behandelingen. En ook preventieve gezondheidszorg kan men hierop letterlijk enten. Van hogerhand kan dan bijvoorbeeld geregeld worden welke categorie mensen in aanmerking komen voor preventieve inentingen, welke categorie wel en welke niet in aanmerking komt voor bepaalde onderzoeken of behandelingen…

Wederom is het dan niet de arts en patiënt die vanuit een unieke situatie kunnen meewegen of bijvoorbeeld preventief onderzoek voor de ene patiënt een goed advies is maar voor een ander als belastend beter achterwege kan blijven.

Toepassing van de patiëntgegevens kan dan ook op heel andere beleidsterreinen dan de volksgezondheid een rol gaan spelen. Het maakt het denkbaar dat het beleidsmakers, juist wel of niet, goed van pas komt als mensen die wonen op een plek waar de uitstoot van fijnstof door het verkeer de normen overschrijden longonderzoek laten doen, of bevolkingsgroepen die bij een plek met bodem- of grondwatervervuiling wonen zich laten screenen op gehaltes gif in hun lijf of statistisch willen laten vaststellen of het percentage kankergevallen bovengemiddeld is.

Verzet tegen overheidseisen persoonsregistratie in de zorg

Op grote schaal wordt bezwaar gemaakt tegen de invoering van het EPD. Zowel patiënten protesteren omdat zij vrezen in hun privacy te worden aangetast, omdat de opslag van hun medische gegevens via het EPD veroorzaakt dat deze in handen kunnen komen van onbevoegden. Maar ook artsen blijken massaal geen vertrouwen te hebben in het systeem en persoonlijk ook persé niet willen dat hun eigen gegevens daarin worden vastgelegd.

De koepel van vrije Psychiaters heeft inmiddels een Bodemprocedure tegen de Staat aangespannen om de verplichte aanlevering van persoonlijke DBC’s aan te vechten.

Vrijbit probeert een uitzonderingspositie te bewerkstelligen voor bezwaarden tegen biometrisch-gechipte identiteitsbewijzen. En probeert erkenning te krijgen voor de onmogelijke positie waarin burgers worden gemanoeuvreerd als zij, op legale gronden, zich verzetten tegen de afgifte van hun vingerafdrukken onder de voorwaarden die per 21 september 2009 zullen worden gesteld aan de uitgifte van paspoorten en ID-kaarten.

Bronnen:

Bits of Freedom Nieuwsbrief 2006/3

voorlichting BSN ministerie van Binnenlandse Zaken

Wijziging van de Wbsn-z i.v.m. elektronische informatieuitwisseling in de zorg

Info BSN in de zorg ministerie Volksgezondheid, welzijn en Sport

Hoofdlijnen BSN in de zorg

Website de vrije psychiater

Gepubliceerd in Dossier EPD
dinsdag, 03 februari 2009 21:23

Wijziging Paspoortwet

WETSONTWERP WIJZIGING PASPOORTWET

thumb_vingerafdrukDe paspoortwetten zijn altijd een zeer gevoelig politiek onderwerp geweest. Zo moesten in 1987 (?) de minister van Defensie, Van Eekelen, en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Van der Linden, aftreden vanwege de invoering van een nieuw paspoort, dat onvoldoende fraudebestendig bleek. De mate van fraudegevoeligheid is steeds een heikel punt geweest bij het invoeren van nieuwe paspoorten.


Momenteel ligt bij de Tweede Kamer (TK) het wetsontwerp Wijziging Paspoortwet. Het nieuwe paspoort moet naast algemene gegevens (naam , geboortedatum/plaats, etc) voorzien zijn van een gezichtsopname, 2 vingerafdrukken en de handtekening van de paspoorthouder. Het huidige paspoort bevat al de gezichtsscan. Het opnemen van de vingerafdrukken is een uitvloeisel van een EU-verordening van december 2004, waarbij de lidstaten van de Europese Unie verplicht worden een gezichtsopname en vingerafdrukken in een chip in de reisdocumenten op te nemen. Dit moet uiterlijk op 28 juni 2009 plaatsvinden.


Het primaire doel van de in het paspoort vermelde gegevens is het voorkomen en bestrijden van fraude van reisdocumenten (het identiteitskaart valt hier ook onder). Maar daarnaast kunnen die data ook worden verstrekt aan bevoegde autoriteiten voor:

  • identificatie van slachtoffers van rampen en ongevallen;
  • opsporing en vervolging van strafbare feiten;
  • verrichten van onderzoek naar handelingen die een bedreiging vormen voor de staat en de veiligheid van met ons land bevriende mogendheden (een zeer rekbaar begrip - indertijd was het Hitleriaanse Duitsland voor 1940 ook een "bevriende" natie)

Welke organen bevoegd zijn om gegevens van reisdocumenten op te vragen wordt alsnog per algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Wel geeft de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp een opsomming van instellingen die bevoegd zijn voor het opvragen van data, zoals opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie, AIVD/MIVD. Het verstrekken van gegevens betreffende de vingerafdrukken geschiedt uitsluitend aan de officier van justitie.

Het gaat dan om:

  • het vaststellen van de identiteit van een verdachte of veroordeelde - als bij hem vingerafdrukken zijn genomen - en er twijfel bestaat over zijn identiteit;
  • bij een onderzoek in geval van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan .

De bepalingen over het verstrekken van de hierboven vermelde categorieën zijn niet voorgeschreven in de EU-verordening, maar een eigen invulling van het kabinet. Volgens de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw Bijleveld, is dit grotendeels ook al mogelijk in de huidige paspoortwet.

Een andere verandering in de wetgeving is dat de gegevens van het reisdocument (paspoort en identiteitskaart) niet meer op decentraal niveau (dus per gemeente) worden opgeslagen, maar centraal. Er komt een landelijke reisdocumentatieadministratie, waarin naast de in het paspoort opgeslagen data ook 2 andere vingerafdrukken van de paspoorthouder (en nog een paar andere gegevens) worden opgenomen. Ook deze bepaling in het wetsontwerp is een eigen voorstel van het kabinet.

Het kabinet kiest voor één centrale opslag in plaats van de huidige decentrale opslag per gemeente omdat dit veel efficiënter is. De bezwaren tegen het huidige systeem zijn dat er 600 decentrale administraties van paspoorten zijn die niet onderling met elkaar worden verbonden, waardoor verificatie (is het paspoort ergens ook aangevraagd, kloppen de door de aanvrager vermeldde gegevens e.d.?) zeer omslachtig is. Identiteitsfraude zou daardoor gemakkelijker zijn. Elke aanvraag (per dag 15.000 aanvragen) moet naar alle andere decentrale administraties worden toegestuurd ter controle of daar de aanvrager ook niet een reisdocument heeft aangevraagd, waarbij al zijn gegevens aan die decentrale administraties moeten worden vermeld.

Het zal dus ook veel meer tijd kosten wat de uitreik van het paspoort betreft. Ook de eisen aan de beveiliging is een probleem, aldus het kabinet. De centrale reisdocumentatieadministratie (ik kort het maar af met CRDA) is 24 uur per dag, 7 dagen per week on line beschikbaar, wat niet het geval is bij de gemeentes.

Tot zover een korte samenvatting van de belangrijkste punten uit het wetsontwerp. Centrale discussiepunten zijn: het opslaan van vingerafdrukken, één centrale administratie in plaats van de huidige decentrale opslag, aan wie mogen de gegevens van het paspoort worden verstrekt (met name de biometrische gegevens), mogelijkheid van uitbreiden van instanties die gegevens uit de centrale administratie kunnen opvragen (function creep)

Keuze biometrische gegevens in het paspoort
Volgens het kabinet is de vingerscan het meest geschikte biometrische kenmerk voor de bestrijding van "look-alike"fraude. Beter dus dan de gezichtsscan. Deze conclusie is gebaseerd op een aantal onderzoeken. De biometrische kenmerken zijn uniek (bij iedereen verschillend) en onveranderlijk. Verandering hiervan is bijna niet mogelijk, zo stelt het kabinet in de toelichting op het wetsvoorstel. Dat is op zichzelf juist, doch de vraag blijft of daarvoor het opnemen van vingerafdrukken absoluut noodzakelijk is. Het is bekend dat het mogelijk is om fraude te plegen met vingerafdrukken. Zo werd bij de discussie tussen de staatssecretaris en de Tweede Kamerleden opgemerkt dat 6 % van de vingerafdrukken in de huidige administratie niet juist is. De techniek om vingerafdrukken te herkennen is niet 100 % betrouwbaar.

Fraude bij de gezichtscan lijkt mij niet mogelijk. Helaas is een discussie of je nu wel of niet vingerafdrukken moet opnemen achterhaald. Omdat dit , zoals hierboven al aangegeven, berust op een EU-verordening. Ook het weigeren door de paspoorthouder om vingerafdrukken op te nemen in het paspoort op grond van principiële redenen kan daarom niet toegestaan worden.

Één centrale reisdocumentenadministratie
Dit is dus een eigen keuze van de Nederlandse overheid. De EU laat het aan elke lidstaat zelf over hoe ze de paspoortgegevens wil opslaan. Hiervoor werd al aangegeven om welke redenen de overheid kiest voor één centrale opslag in plaats van de huidige decentrale opslag. Een decentrale constructie werkt minder efficiënt en is minder betrouwbaar. Volgens het kabinet is één centrale opslag veiliger.

Over de veiligheid valt echter wel een en ander op te merken. Bij de centrale opslag worden extra beveiligingsvormen ingevoerd..

  1. Er komt een besloten netwerk.
  2. Een gebruiker van de administratie moet zich met een digitaal certificaat authentiseren, anders wordt de toegang geweigerd (gebeurt nu al bij de decentrale administraties).
  3. De gegevens worden versleuteld opgeslagen in de administratie, zodat een ongeautoriseerde persoon geen inzage kan krijgen.
  4. Gegevens worden digitaal ondertekend, zodat ze niet ongemerkt gewijzigd kunnen worden.
  5. Er komt een berichtenlog, zodat aan die log gezien kan worden welke verificatievragen door welke instantie/ambtenaar zijn gesteld en welk antwoord is gegeven.

 

Dit geeft zeker een grote mate van beveiliging, maar ook de staatssecretaris kon niet garanderen dat de beveiliging 100% is. Elke beveiliging kan worden gekraakt. De technische middelen daartoe ontwikkelen zich even snel als de beveiligingsvormen!

De mogelijkheid van identiteitsfraude sluit zij bij de centrale opslag dus ook niet uit. Alleen komt hier nu een gigantische verzameling van cruciale gegevens (vingerafdrukken, gezichtscan!). Per jaar worden er 3 miljoen reisdocumenten aangevraagd! Inbraak, hacken van het systeem, interne fraude bij de centrale opslag hebben zonder meer een veel grotere impact dan bij een decentrale opslag met een veel geringere hoeveelheid van data (zelfs al zou dat in Amsterdam plaatsvinden).

Zoals Van Koppen ook aangeeft : "hoe meer vingerafdrukken, hoe meer fouten kunnen worden gemaakt".

In afgelopen tijd is trouwens gebleken hoe slordig soms wordt omgegaan met "beveiligde"gegevens. In Groot-Brittannië zijn achtereenvolgend driemaal gegevens in de openbaarheid gekomen die (zeer) vertrouwelijk zijn, zoals onlangs een usb-stick met gegevens van miljoenen Britten op een parkeerplaats werd gevonden!! Ook in Duitsland zijn zo vertrouwelijke gegevens in de openbaarheid gekomen.

Een usb-stick uit de centrale administratie omvat heel wat meer gegevens dan die van een decentrale opslag. Bij sommige Kamerleden bleven bij de behandeling van het wetsontwerp in de TK dan ook twijfels over de beveiliging van de centrale reisdocumentenadministratie. bestaan.

PRIVACYBESCHERMING
Ook dit onderwerp riepen diverse vragen op. Het kabinet erkent dat met dit wetsontwerp een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Doch het vindt dat deze inbreuk gerechtvaardigd en proportioneel is met het doel van de wetgeving. Het is niet in strijd met artikel 10 van de grondwet en artikel 8 van Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo stelt het kabinet.
Het gaat hier vooral om wie gegevens mag opvragen bij de CRDA.

Gezien deze gegevens niet alleen gebruikt worden voor verificatie van de reisdocumenten (voorkomen en bestrijden van identiteitsfraude) maar ook gebruikt kunnen worden voor andere doeleinden (zie pag.1) is het nog maar de vraag of het kabinet niet al te gemakkelijk over dit onderwerp heen stapt.

Terecht kan dan ook de vraag gesteld worden of in de praktijk de centrale opslag gebruikt gaat worden als een opsporingsregister. Hoewel verstrekking van gegevens betreffende vingerafdrukken alleen kan via de officier van justitie voor de in het wetsvoorstel vermeldde doelen (zie pag 1) is het de vraag of dit niet t.z.t. uitgebreid wordt,bijvoorbeeld met DNA. De staatssecretaris ontkent dit, maar overtuigend is dat niet.

Het College bescherming persoonsgegevens stelde kritische vragen over de centrale opslag. De kritiek werd in maart 2007 uitgebracht t.a.v. het concept-wetsvoorstel. Het CPB stelt dat het instellen van CRDA onomkeerbaar is en de kans groot is dat andere instanties dan nu in de wet aangeduid ook om toegang tot de centrale opslag zullen vragen. Het gevaar dat de opgeslagen gegevens gebruikt zullen worden voor andere dan de oorspronkelijke doeleinden is niet denkbeeldig ( dit wordt mooi aangeduid als "function creep").

Zo vermeldt de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp dat de apparatuur voor het opnemen van de biometrische gegevens in het paspoort ook gebruikt zou kunnen worden voor het rijbewijs!

Onthullend is ook dat een kamerfractie vroeg of het verstrekken van deze gegevens in dit wetsvoorstel niet mogelijk maakt om dit ook toe te passen bij de opsporing van verdachten van alle  misdrijven en overtredingen .

Deze "vraag"die in werkelijkheid een retorische vraag is, werd door de staatssecretaris afgewezen, maar wat nu afgewezen wordt, kan t.z.t. wel aanvaard worden. Dit zou dus betekenen dat de biometrische gegevens ook gebruikt worden voor alle misdrijven en zelfs overtredingen!! Zo ver is het dus nog niet, maar wat niet is, kan nog komen.

Het is wel zo dat het opvragen van gegevens zoals nu vermeld staat in het wetsontwerp ook grotendeels overeenkomen met de huidige paspoortwet. "In die zin kan er dan ook geen sprake zijn van inbreuk op de privacy ", zo stelt de staatssecretaris tevreden vast. Daarmee maakt zij zich er wel gemakkelijk van af. Dit geldt namelijk niet voor het opvragen van de biometrische gegevens. Dat is een "nieuwigheidje"van het kabinet!

Douwe Jansz

PS: De plenaire behandeling van het wetsontwerp is volgens de agenda van de TK gepland in de week van 2 december. Maar in de praktijk wordt dit meestal later, gezien spoeddebatten e.d. . In het voorjaar komt het dus in de EK.
Een mooie gelegenheid voor Vrijbit om dan naar de EK - schriftelijk dan wel mondeling - te reageren. Gezien de vergaande konsekwenties is het belangrijk genoeg om te reageren.

Gepubliceerd in Dossier Vingerafdrukken
dinsdag, 03 februari 2009 17:27

Het EPD de stand van zaken

Zoals ieder weet, komt er een elektronisch patiëntendossier (EPD), waarbij de zorgverleners (artsen, apotheken, ziekenhuizen, etc) verplicht worden zich aan te sluiten op het digitale landelijk schakelpunt. Daarmee kunnen de zorgaanbieders gegevens uitwisselen omtrent hun patiëntendossiers. De opzet is dat eind 2009 het overgrote deel van de zorgaanbieders is aangesloten. Deze wet is primair gericht op de zorgaanbieders, maar de patiënt is hier natuurlijk nauw bij betrokken, omdat zijn medische gegevens door betrokken zorgaanbieders onderling (kunnen) worden uitgewisseld.

Op dit moment vindt dit - meestal regionaal - al veelvuldig plaats, maar dat is op vrijwillige basis. Nu wordt het verplicht.
Op grond van de Wet Geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) kunnen medische gegevens aan derden worden verstrekt, indien de betrokkene hiervoor toestemming heeft gegeven. Ik denk niet dat vele patiënten dat weten en dat hun zorgverlener uitdrukkelijk daarvoor toestemming heeft gevraagd. De patiënt heeft recht van inzage en correctie.

De toegang tot het EPD is voorbehouden aan de zorgverleners, die een behandelrelatie hebben met de patiënt en alleen voorzover noodzakelijk voor de behandeling , waarbij zij betrokken zijn.

Gezien de invoering van het EPD met de verplichte aansluiting voor zorgverleners op het landelijk schakelpunt heeft daarom Klink, de minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, aan iedereen het Bezwaarformulier EPD toe gezonden. In wezen is dit nogal voorbarig, omdat de wet nog in behandeling is. Het wetsontwerp moet namelijk nog in de Eerste Kamer worden behandeld. De Tweede Kamer heeft deze week over een aantal moties gestemd die o.a betrekking hebben op het bezwaarschrift. Van de 5 moties zijn er 2 aangenomen. Deze zijn van de PvdA, waarin de regering verzocht wordt nadat de wet is aangenomen een nieuwe en gebruiksvriendelijke mogelijkheid te ontwerpen om bezwaar te maken.

De andere motie van het CDA wil dat de burger op elektronische wijze inzage heeft in zijn eigen dossier en in de inloggevens met daartoe voldoende beveiligde identificatie- en authenticatiemiddelen.

De minister ondersteunt deze 2 moties en ze heeft aangegeven hieraan prioriteit te geven, zodat de patiënt eind 2009 elektronische inzage kan krijgen in zijn gegevens. Er wordt gewerkt aan een verbeterde DigiD (is de huidige dan kennelijk niet goed ??) om dit zo te realiseren.

Zoals hiervoor al vermeldt, gaat de EK zich nu bezig houden met het EPD.
De vraag is moet Vrijbit naar de EK reageren met op/aanmerkingen op dit dossier en eventueel zelfs proberen gesprekken te voeren met die EK-kamerleden die dit onderwerp in hun portefeuille hebben??

Douwe Jansz

Gepubliceerd in Dossier EPD